Gevonden voorwerp

Na een gezellige maar niet erg goede lunch met mijn vriendin loop ik naar huis. Mijn oog valt op een witte Iphone die op de stenen trap ligt van het huis waar vroeger Youri Egorov woonde. Ik kijk om me heen, maar zie niemand in paniek zoeken naar haar (een witte telefoon lijkt me een typisch vrouwelijke keus) belangrijkste contact met de wereld. Ik besluit aan te bellen. Wat zou het geweldig zijn als Egorov nog had geleefd, de deur had opengedaan en als dank alleen voor mij een stuk gespeeld had. Dan zegt een vrouw kortaf door de intercom ‘nee, is niet mijn telefoon’, en verbreekt direct de verbinding. Ik besluit het apparaat thuis op te laden. Wie weet belt de eigenaresse tijdens haar zoektocht haar eigen nummer.

De volgende dag fiets ik naar het politiebureau aan de Marnixstraat om het toestel af te leveren. Ik geef mijn boodschap –alweer- door de intercom door, waarop de dienstdoende agent alleen zegt ‘dat mag u op de Lijnbaansgracht afleveren’. Ik antwoord ‘Oh, mag ik dat’ en fiets toch maar richting Lijnbaansgracht.

In het politiebureau tegenover de Melkweg hoor ik een Italiaanse man opgewonden spreken in de hoorn die naast het toestel ligt. Zijn lichaamstaal spreekt boekdelen. Twee agenten kijken verveeld toe. De vertaalster aan de andere kant van de lijn probeert het Napolitaans te verstaan, maar zo te horen nog met weinig resultaat.

Ik word verwezen naar een zijkamertje waar de dienstdoende agent de telefoon achteloos in ontvangst neemt. ‘Wat gaat u er nu mee doen?’ vraag ik. ‘Oh, die gaat morgen of zo naar gevonden voorwerpen op de Korte Leidsedwarsstraat’. Ik heb te doen met de eigenaresse van de telefoon die nog een dag in het ongewisse moet blijven en pak het apparaat weer uit zijn handen. ‘Ik breng het zelf wel’ zeg ik en verlaat het kantoortje dat even kaal is als zijn hoofd.

Vijf minuten later kom ik aan bij Loket gevonden voorwerpen. Ik lees op het bordje dat het van maandag t/m vrijdag tot 17 uur open is. Wat zouden die toeristen dan in het weekend moeten doen? Weer doe ik mijn verhaal en de dame zegt zowaar ‘dank u wel’. Ze noteert waar en wanneer ik de telefoon heb gevonden, maar vraagt verder niet naar mijn gegevens. Wanneer zou dat wel worden gedaan? Als je honderdduizend euro in een sporttas vindt? In ieder geval heb ik mijn burgerplicht gedaan.

Voordat ik het vertrek verlaat kijk ik nog ’s om me heen. Aan de wand hangen gigantische panelen, waar honderden haakjes, keurig in gelid, zijn ingeschroefd. Aan de haakjes hangt een collage van auto- fiets- en huissleutels aan hangers met fotootjes van de kinderen, I love Amsterdam, plastic roze ragebollen en andere opvallende artefacten. De borden lijken wel kleurrijke kunstwerken, alleen staat er geen naam van de kunstenaar bij, maar het weeknummer waarin de sleutels gevonden zijn. Een meisje naast me staat er net zo geïntrigeerd als ik naar te kijken. Dan zeg ik  ‘Een wereld gaat voor me open’ en ze antwoordt ‘Dat heb je mooi gezegd’.

Een keurige mevrouw

Gigantische regenbuien teisteren de stad. Het lijkt alsof Amsterdam van de kaart wordt geveegd, maar nu is het even droog.

Ik ga de deur uit en zie een vrouw over de gracht in mijn richting lopen. In eerste instantie denk ik (zoals observaties razendsnel gaan zonder dat je daar nou speciaal een reden voor hebt) ‘wat een keurige mevrouw. Ze zou in Amsterdam Zuid kunnen wonen. Ze draagt een beige stretchpantalon met een ribbelpatroon, net als mijn moeder deed en een geruit zacht geel en zwart jasje. Ze lijkt me een zeventiger met halflang geblondeerd haar dat naar binnen is geföhnd, ze draagt een zilverkleurig montuur dat veel vrouwen van die leeftijd hebben. Ze heeft een zachtaardige uitstraling.’

Dan bukt ze zich voorover, pakt iets van de straat en loopt weer door. Ze komt dichterbij en ik zie dat ze geen zwarte schoenen onder haar broek draagt, maar op sokken loopt. Ze bukt weer en nu zie ik beter wat ze doet. Ze heeft een papiertje in haar handen en legt het onder haar rechtervoet. Ze richt zich weer op, wrijft met haar voet heen en weer over het papiertje, bukt weer, pakt het papiertje op en loopt weer door. 10 Meter later bukt ze weer en het ritueel herhaalt zich. Alleen zie ik nu dat het papiertje dat ze op de grond legt een 5 Euro biljet is. Enigszins van mijn stuk vraag ik ‘Kan ik u misschien helpen mevrouw?’ Ze lijkt me niet te horen. Ze murmelt ‘ja, ja, ja, ja, ja, ja’ maar dit lijkt niet echt een antwoord op mijn vraag. Ze loopt langs me heen zonder haar langzame, maar voor haar doelbewuste tred te vertragen. Ik kijk haar na. Ze bukt weer, legt het biljet op de natte stoep en strijkt weer met haar doorweekte sok over het biljet.

Ik weet niet wat ik ermee aan moet. Hulp inroepen? Politie? En dan? Ze maakt een tevreden indruk, ze is niet angstig. Ik besluit niets te doen en stap op mijn fiets. Ik blijf aan haar denken.

Tante Ida 2

Af en toe kreeg ik tijdens mijn vakantie een berichtje van haar. ‘Zo maar een groet van je tante, het is erg stilletjes hier.’ Of ‘voel me vanmiddag erg alleen en dacht ik ga Yolanda een mailtje sturen.’ Ik heb met haar te doen. Iedereen wil ouder worden, maar niemand wil oud zijn. Ze vecht met hand en tand tegen haar ouderdom en weigert te accepteren dat deze komt met gebreken.

Mijn tanige tantetje wordt regelmatig, maar steeds onverwacht, gepijnigd door helse zenuwpijnen in haar rechterarm. Ze verbijt dan de pijn en zegt alleen zacht ‘oei, oei, oei, oei.’ Haar linkerarm hangt erbij als een lamme vleugel door een nooit geheelde gebroken ellenboog, maar toch weet ze ‘m nog achter haar hoofd te krijgen om haar haar op te steken. Daarnaast is ze stokdoof en kan alleen een een-op-een gesprek volgen. Makkelijk contact met de buitenwereld, zoals even bellen, is nagenoeg verdwenen. Al deze lichamelijke ongemakken weerhouden haar niet net te doen alsof ze alles nog kan.

Afgelopen week werd ze wakker in een doorweekt bed door een lekkende kruik. Ze wilde niemand op het nachtelijk uur storen en besloot het probleem zelf op te lossen. Ze had natuurlijk het logeerbed in de achterkamer kunnen nemen, maar dat zou te makkelijk zijn. Met alle kracht die in haar 40 kilo lichte lichaam zat trok ze het matras van haar bed, liep naar de eerste verdieping, pakte een matras van een ander bed en gooide deze van de trap af naar beneden. Hoe ze zich op de trap langs het logge ding heeft gewurmd wil ik me liever niet voorstellen. Uitgeput maar voldaan heeft ze het matras uiteindelijk op haar eigen bed gekregen. Ze zal de rest van de nacht heerlijk hebben geslapen. In ieder geval werd ze niet gehinderd door het licht, want dat had ze die middag met de bezem per ongeluk kapot gemaakt toen ze een spinnenweb wilde verwijderen.

Het was gisteren een goed weerzien en dat gingen we vieren met gemberthee en soesjes. In de keuken worstelde ik met het openen van het potje gember. Tante Ida kwam binnen, pakte direct een schroevendraaier uit de keukenla, plaatste het uiteinde tussen glas en deksel en verbrak het vacuüm. Opgelost. Ik stond er wat beteuterd bij.

Haar eigenwijsheid en wil om alles, ondanks haar handicaps, zelf te doen is voor anderen niet altijd even makkelijk. Maar dankzij deze eigenschappen is ze wel al zo oud geworden. “Ben je bang voor de dood?‘, vraag ik. ‘Daar heb ik nog helemaal niet aan gedacht, ik slaap gewoon in.’ ‘Geloof je in een hiernamaals?’ ‘Natuurlijk.’ En dan ‘Kom je snel weer langs?’

Stephan

Terug van vakantie en dat betekent dat de wasmachine en koelkast om het hardst schreeuwen om gevuld te worden. Met een volle boodschappenwagen sta ik bij de kassa als een man van eind twintig me vraagt of hij even voor mag. Hij heeft slechts een blikje huismerk cola, dat hij al voor de helft heeft opgedronken. Nadat hij heeft afgerekend zet hij spontaan mijn boodschappen op de band. Zoveel haast heeft hij dan toch blijkbaar niet. Maar eerst stelt hij zich voor. Hij zet zijn zonnebril achterstevoren op zijn jagershoedje en zegt ‘Ik ben Stephan’. Mijn hand verdwijnt volledig in zijn sterke, behaarde, werkersknuist. Dan pakt hij voorzichtig het kwetsbare fruit dat ik ruim heb ingekocht. ‘Voor mijn dochters’, leg ik uit, ‘dat zijn fruitmonsters’. ‘Wie houdt er nou niet van fruit’ antwoordt hij in beginnend Nederlands en gevorderd Engels met Oost-Europees accent. ‘People love it, dogs love it, every animal loves it.’ ‘Mijn hond niet’, zeg ik en besluit, als ik naar zijn bruine voortand kijk, niet op zijn advies in te gaan om fruit te bestrooien met suiker voordat ik het aan Sam geef. Ik vraag hem of hij honden heeft. ‘I am a dog myself’ zegt Stephan, ‘I think like a dog and I live like a dog.’ Het is me niet helemaal duidelijk wat hij daarmee bedoelt, maar voordat ik hem dat kan vragen switcht hij alweer naar een nieuw onderwerp ‘het weer’. ‘Weet je dat regen komt van regenereren?’ Regen maakt alles nieuw. Als je een paar talen spreekt kan je dat soort connecties maken. Dat is leuk. Dan krijg je meer inzicht. Iedereen zou meer talen moeten spreken.’ En dan schudt hij plotsklaps mijn hand en loopt weg.

Als ik met mijn zware tassen de deur uit kom, staat hij buiten op me te wachten. Hij verdeelt de boodschappen over de twee fietstassen en –ondanks herhaaldelijk protest dat dat echt niet hoeft- verlengt hij de sluitingen van de tassen om alles maar goed dicht te krijgen. En dan komt uiteindelijk toch de vraag die ik al in de winkel had verwacht. ‘Ik ben hier alleen, het kan mijn ouders niet schelen hoe het met mij gaat. Ik heb wel broers en zussen in Roemenië, maar ik ben alleen vertrokken, de wereld in. Je moet het immers zelf voor elkaar krijgen. Heb je misschien wat kleingeld voor me? ‘ Ik geef hem de paar losse munten die ik bij me heb. ‘Thank you, thank you’ en weer pakt hij mijn hand. Dit keer nemen we echt afscheid. Hij loopt met grote passen weg en ik stap op mijn fiets. Nog maar net terug in Amsterdam en het is nu alweer leuk.

Vakantieblues

Het is nog vroeg als ik wakker word. De klok van het kleine Middeleeuwse dorpskerkje slaat 8 uur. Het eerste glinsterende zonlicht strijkt zacht over het meer, een kleine rimpeling trekt over het water. Een volkomen rust overspoelt me. Er is nog nergens een beweging te ontdekken. Een hond blaft de stilte tegemoet, een paar houtduiven klapperen omhoog uit de bosschage, een ezel balkt klagelijk. En dan is er het eerste menselijke teken van leven. Een middelbare racefietser stapt af en geniet, net als ik, van het spectaculaire uitzicht over het meer. Even schudt hij zijn hoofd voordat hij weer opstapt. Zoveel schoonheid is nauwelijks te bevatten.
De laatste dag van de vakantie. Een periode van stedenbezoek, het meer, familie en vrienden zien, een grootse verjaardag vieren, lezen, slapen en eten. Te veel eten. Straks, als ik thuis ben in het natte Amsterdam, wordt het een uitdaging weer op mijn oude gewicht te komen. Maar nu, nog even genieten. Vanavond een mooie pasta, een goede fles wijn en dan arrivederci, à presto!

Eitzes

Eitzes. Hoe vaak hoor ik niet dat ze, manlief en dochters, daar geen behoefte meer aan hebben. ‘Neem probiotica mee naar Azië, ik zou vroeger vertrekken, trek een jas aan, heb je al gezocht op internet.’ Heb je het door? Precies, eitzes is ongevraagd advies.

Maar dan komen we op het punt, wat willen ze dan wel horen? Wat dacht je van ‘wat vervelend dat je darmen van slag zijn, wat jammer dat je de trein hebt gemist, zonde dat je nu net verkouden bent en wat een pech dat je daar niet eerder achter bent gekomen’.
Ze willen geen spontane praktische adviezen meer, maar wel medeleven als het even anders loopt dan gewenst.

Het is moeilijk om mijn mond te houden. Jarenlang, een leven lang, vond ik het mijn taak dingen te helpen onthouden, adviezen te geven en te organiseren. Dit werd in dank afgenomen. Zij blij en ik blij. Maar nu zitten we in een nieuwe fase. Manlief heeft geen continue assistente nodig en de meisjes willen hun eigen fouten maken. Logisch! Het is de enige manier om zelfstandig in het leven te kunnen staan. Nu is het tijd mezelf eitzes te gaan geven: ‘niets zeggen, laat los, komt goed.’

Naar de dokter

Het valt me op dat Sam de laatste dagen minder enthousiast is tijdens de wandeling. Hij loopt vaak achter me in plaats van voor, snuffelt eindeloos, vergeet steeds zijn bal- die normaal vergroeid is met zijn bek- en eet gras en jonge blaadjes. Hij houdt zijn geliefde ‘jij gooit de bal -ik ren erachteraan’ spelletje sneller voor gezien. Hij kwispelt wel en lijkt niet ziek, maar toch. Ik vertrouw het niet. Een half jaar geleden had hij dezelfde kenmerken en kotste na een braakmiddel een hele dennenappel uit. Ik bel de dierenarts en vertel dat Sam wellicht iets in zijn maag heeft dat niet verteert. We maken een afspraak voor dezelfde middag. Ondertussen ligt Sam –in zalige onwetendheid- te snurken op zijn kussen. Hij is niet dol op de dierenarts, maar laat zich altijd gelaten behandelen.

De dierenarts, jonge dertiger, leuke ogen en hipsterbaardje, lacht wanneer hij Sam herkent. De vorige keer heeft hij de kleine macho mogen oplappen na een vechtpartijtje met een enorme zwarte hond. Uit gewoonte loopt mijn viervoeter rechtstreeks naar de weegschaal en gaat erop zitten. Jong geleerd, oud gedaan. Hij kijkt ons berustend aan, oortjes hangend op halfzes. De schaal is onverbiddelijk: 12,2 kg. Te zwaar! Voor de zekerheid wordt hij nog onderzocht, maar eigenlijk is het oordeel al geveld: minstens een kilo afvallen! Meer bewegen, minder lekkers. Ik voel eens aan mijn broek. Zit ook een beetje strak. Ik zucht en besluit dat het advies dan maar voor ons allebei moet gelden. Sam geen kaas, ik geen chocola.

 

Proeven of slobberen, that’s the question

Als laatste kom ik de wijnhandel aan het Amstelveld binnen rennen voor mijn cursus wijnproeven. Al jaren slobber ik wijn, maar raak altijd lichtelijk in paniek als mijn man er niet is en ik een wijn moet kiezen bij het eten. Waar moet ik naar kijken? Vaak volg ik het bekende pad en ga voor Chardonnay. Nu hoor ik tijdens de les dat je in New York tegenwoordig wijn bestelt met ‘ABC’ oftewel ‘Anything but Chardonnay’. Het was al duidelijk, maar deze opmerking bevestigt het. Ik moet mijn kennis vergroten.

Aan de lange houten tafel zitten zes dertigers en vier 50-plussers. Onze vinologe, een vlot slank meisje, heeft moleculaire biologie gestudeerd. Maar, verzot op wijn heeft ze van haar hobby haar vak gemaakt. ‘Laten we maar ’s beginnen met jullie neus te testen’ zegt ze vrolijk en geeft ons tien piepkleine flesjes. We snuffelen, trekken diepe rimpels in ons voorhoofd en af en toe roept iemand opgetogen ‘Oh ja’. Ondertussen horen we dat vrouwen beter ruiken dan mannen, behalve wanneer ze geplaagd worden door hormonale periodes. Ook scoren jonge mensen hoger dan ouderen. Dat blijkt dan ook wel, de jonge dertigers herkennen groene paprika, leer en boter. Ik kom niet verder dan banaan en rode bes. Wat een teleurstelling voor iemand die dacht een goede neus te hebben. De volgende deceptie volgt al snel. Ik zit in het hokje ongeoefende drinkers, die geen correlatie ontdekken tussen smaak en prijs. Maar dat gaat vanaf vanavond veranderen!

Al in een avond leer ik kleur bepalen, wals ik mijn wijn op ¾ maat door het glas en duw mijn hele neus in het glas op zoek naar stal, vegetaal, steenfruit, bloemen of zuivel. Een nieuwe vocabulaire met veel verkleinwoorden wordt aan mijn woordenschat toegevoegd zoals ‘een zuurtje, een zoetje en snoepig.’

We proeven Sauvignon (strak), Chardonnay (vet), Viognier (geparfumeerd), Pinot noir (voor gevorderden), Merlot (allemansvriend) en Cabernet Sauvignon (stevig) en horen welke spijzen de godendranken intensiveren. Ieder slokje houden we zo’n vier seconden in onze mond om de wijn volledig tot zijn recht te laten komen. En verdomd het werkt. Ik begin bewuster -en langzamer- te drinken. En dat scheelt ook weer!

 

Nachtbraakster

(verhaaltje n.a.v. een kort krantenberichtje in het Parool)

Margje werd wakker van een angstig gemiauw dat precies thuis hoorde in haar droom. Een straaltje lantaarnlicht piepte door de smalle kier van haar bloemengordijnen en verlichte haar kamer een beetje. Zacht riep ze ‘Mamma, mamma, Noortje is terug, ze wil naar binnen.’ Mamma hoorde niets. Ze klom uit haar bedje en dribbelde naar haar ouders slaapkamer. Twee heuveltjes bewogen zacht op en neer onder de dekens. Nog een keer riep ze maar haar ouders gaven geen sjoege. Margje rimpelde haar neus, iets wat ze altijd deed als ze diep nadacht. Er zat niets anders op, ze moest zelf Noortje gaan zoeken. Op haar roze prinsessenslofjes liep ze naar de voordeur, strekte zich uit zo ver ze kon en kon toen precies bij de deurhendel. Een korte ruk en de koude nachtlucht stroomde haar tegemoet.

De drie vrienden zaten goedgehumeurd bij elkaar in de auto. Ze hadden samen een gezellige avond in de buurtkroeg gehad waar ze met hulp van een paar biertjes de nieuwe barvrouw een beetje op stang hadden gejaagd en alle wereldproblemen bijna hadden opgelost. Om half drie besloten ze maar ’s op huis aan te gaan. Morgen was het weer vroeg dag. Arie was de Bob, niet dat hij helemaal niet had gedronken, maar toch beduidend minder dan zijn twee maten. Met een rustig gangetje reed hij langs de nieuwbouwwijk van Abcoude over de Meerlandenweg en ging voor de gein de rotonde een paar keer rond. Net de kermis. ‘Fuck, hou op Arie, anders gaan we nog kotsen in die rammelbak van je’. Arie besloot het rondje van de zaak voor gezien te houden en weer het rechte pad op te gaan. Maar net voor de tweede rotonde trapte de chauffeur opeens keihard op zijn remmen. De mannen schoten naar voren. ‘Godverdomme Arie, hou op met die grappen van je!’ Arie, lijkbleek, kon alleen maar wijzen: voor hen, midden op straat, in het licht van de koplampen, stond een klein blond meisje met een knuffel in haar hand. Haar roze nachtjapon bewoog zacht in de wind. Ze keek hen nieuwsgierig aan.

De drie mannen waren in een klap nuchter en probeerden hun gevoelens van angst en opluchting onder controle te krijgen. Arie wiste het zweet van zijn voorhoofd. Zijn ogen zochten het fotootje van zijn twee jongetjes, dat zijn vrouw op het dashboard had geplakt. ‘Hoe heet je, waar woon je prinses?’ probeerde Arie, maar het meisje gaf geen antwoord. Ze lachte en haar blauwe ogen keken de grote man vol verwachting aan. Arie verpakte het roze meisje in zijn donkerblauwe jack en zette haar in de auto, de verwarming hoog. Om haar gerust te stellen zetten hij een cd van Sesamstraat op. Dit meisje, dacht hij, is nog geen drie jaar oud. Wat is er gebeurd? En tegelijkertijd, goddank, is er niets gebeurd. Zijn vrienden kwamen naar hem toe. ‘Arie, we kunnen niets vinden. Er lopen geen mensen te zoeken en we zien nergens een deur of raam open staan. Laten we maar 112 bellen.’ Terwijl het meisje aandachtig luisterde naar Ernie, hoorde hij zijn vrienden bellen. ‘Klein blond meisje, jaar of 2. Nee, geen idee hoe ze heet, ze zegt niets. Nee, ze is niet bang, ze huilt ook niet. Ja goed, hoe snel zijn jullie er? 10 minuten? Ok, ja we wachten’.

Margje voelde zich langzaam warmer worden. Ze had al zo lang gezocht naar Noortje, ze was eerst in de tuin geweest en had door alle struiken gelopen. Daarna was ze de straat op gegaan tot ze bij het grote water kwam, maar nergens had ze meer gemiauw gehoord. Ze wist ook niet meer hoe ze naar huis moest komen. Misschien, dacht Margje slaperig, weet deze meneer wel waar Noortje is.

De vrienden zagen de witte politieauto met oranje en blauwe strepen al snel aankomen. Het kleine meisje keek de mensen in uniform even zorgeloos aan als de mannen ervoor. ‘We hebben nog geen vermissing binnen gekregen’, zei de agente. ‘We zullen er een burgernetactie van maken, wie weet komt daar wat uit.’ De agenten bedankten de vrienden en brachten het ondertussen in slaap gevallen meisje naar het AMC. De dokters bevestigden dat Noortje, want dan zei het meisje toen ze wakker werd, niets markeerde.

De volgende dag werden Kees en Marianne pas om 9 uur wakker. Verbaasd keken ze elkaar aan dat ze zo lang hadden uitgeslapen. Margje maakte hen normaal altijd klokslag half zeven wakker. Wat een heerlijk begin van de dag!

Tante Ida

Mijn tante Ida is een monument dat nu, iel mensje van nauwelijks 40 kilo, in haar leunstoel de pijn en de ouderdom van zich af probeert te slaan. Ze woont nog steeds in het huis waar haar ouders in 1928 naar toe verhuisden. De tijd heeft geen vat gehad op het interieur.

Ik herken familiekaraktertrekken, bij haar sterk aanwezig, bij mij al wat afgevlakt, maar toch vertrouwd. Een ijzeren wil om door te zetten -soms tegen beter weten in-, plichtsgetrouw, eigenwijs, vasthoudend aan bekende patronen en blijmoedig. Zo maakt ze haar bed zelf opnieuw op als de thuiszorg het ‘verkeerd’ heeft gedaan. Vorige week knielde ze op haar 93 jaar oude knieën om een theevlek uit het tapijt te boenen, zonder acht te slaan op de zenuwpijn in haar rechterhand en nooit meer geheelde linker elleboog. Ze is altijd dankbaar als er bezoek komt.

Drie weken geleden is een jongere broer van haar overleden. Het verdriet was een trigger om haar lichte vergeetachtigheid om te laten slaan in het begin van dementie. Tot voor kort kon ze gedetailleerd vertellen over de familiegeschiedenis. In het ouderwetse huis met erker woonden de ouders met acht eigen kinderen en drie in huis genomen jongens uit Nederlands Indië. Zo’n huishouden kon alleen functioneren wanneer iedereen meehielp. Zo waren er corvees opgesteld voor schoenen poetsen, aardappelen schillen, tafel dekken en afwassen. In haar verhalen neemt ze me mee naar de Sinterklaasavonden met vernuftige surprises en puntige gedichten. De angst die ze voelde toen ze een Duitser wijs maakte dat er echt geen mannen thuis waren, terwijl een van haar broers zich in de kelder verschool. En ze schiet vol wanneer ze vertelt dat ze vijftig jaar geleden als wijkverpleegster jonge ouders begeleidde toen ze hun dochtertje dood in de wieg hadden gevonden.

Mijn tante heeft honderden baby’s op de wereld gezet en haar liefste geur is een ‘verse’ baby. Maar ze heeft nooit de geur van een eigen kindje mogen ruiken. Als ik met haar erover praat, zegt ze dapper ‘ik heb zoveel kinderen.’ Deze week nog heeft de buitenschilder spontaan met haar een wandelingetje gemaakt. Ook hem had ze 56 jaar geleden op de wereld gezet.