Een nieuwe lente

In het park is het druk en ik probeer me zo goed mogelijk te houden aan het nieuwe fenomeen van social distancing van 1,5 meter, wat trouwens meer is dan je in eerste instantie denkt. Door bijna vijftien jaar onder alle weersomstandigheden met Sam te wandelen, heb ik een goede weerstand gekregen en dat wil ik graag zo houden. Zeker nu.

Onderweg groet ik Mo, die nu op afstand individuele kickbokstraining geeft, erger ik me aan de bonkende bas waar dicht op elkaar gepakte millennials op sporten en kijk ik melancholiek naar een hond die vrolijk achter de bal aan rent.

Het is een fantastische lentedag met een strakblauwe hemel, tien graden warmte en krokussen die het uitschreeuwen van kleurrijk plezier. Je zou het bijna rokjesdag kunnen noemen. Bij de uitgang van het park zie ik nóg een bewijs van de lente, de ooievaar is teruggekeerd naar zijn hoge nest. Hoe bizar dat ik dan nu een waslijst maak van nuttige en leuke dingen waar ik de komende weken mijn dagen binnenshuis mee kan gaan vullen.
‘Zijn alle winkels dicht?’
Een breedgeschouderde, jonge man, volledig in zwart gekleed, zit op een bankje en spreekt me aan. Naast hem is een eveneens zwarte, volgepakte duffel op het frame van een boodschappenkarretje vastgesjord. In eerste instantie denk ik dat hij een rapper is en zijn installatie bij zich heeft, maar dan zie ik dat alles wat de man aan aardse goederen bezit op dat karretje is vastgebonden.
‘Ja, veel winkels zijn dicht, maar niet alles.’
‘Overal in Amsterdam?’
‘Ja, maar niet alleen in Amsterdam, ook in de rest van Nederland.’
Zijn mond valt open en het zonlicht valt op zijn gouden voortanden.
‘Ook in andere landen?’
‘Ja, ook in Italië, Spanje, België noem maar op, net als in de Verenigde Staten en India’.

Mijn antwoord verwart hem, de boodschap is te groot. Waar ik in een paar dagen aan heb moeten wennen, krijgt hij nu in twee minuten te verstouwen. Hoe krijgt een dakloze zijn informatie zonder computer, tv of telefoon vraag ik me af? Is hij alleen afhankelijk van de nachtopvang en de gesprekken op straat? Ik realiseer me weer eens hoe kwetsbaar deze groep is. Ik wil hem geld geven en baal ervan dat ik niets bij me heb. Zou hij überhaupt nog ergens met cash geld terecht kunnen?
De man blijft naar me staren en het gesprek stokt. Uiteindelijk wijs ik onmachtig maar naar de ooievaar, die stoïcijns met zijn lange snavel zijn veren kamt.
‘Hij is weer terug.’

 

 

Niet meer

Niet meer iedere ochtend wandelen in het Westerpark
Niet meer de beste stok zoeken
Niet meer achter ballen aan rennen
Niet meer stil genieten van bootje varen
Niet meer je diner van vlees en groente oppeuzelen
Niet meer je baasje begroeten als ze thuis komt
Niet meer lekker op je rug rollen in het gras
Niet meer als een bezetene tunnels graven
Niet meer rennen en blaffen op het strand
Niet meer achter een konijn aan
Niet meer wel de kaas eten en vervolgens het pilletje uitspugen
Niet meer met Cato ravotten
Niet meer woedend blaffen als je Sparky ziet
Niet meer een restje vlees krijgen uit het restaurant
Niet meer direct uit jezelf naar de weegschaal lopen bij de dierenarts
Niet meer gekrabbeld worden achter je zachte oortjes
Niet meer charmant kijken bij het ontmoeten van een leuk teefje
Niet meer bij je baasje gaan zitten als ze zich niet lekker voelt
Niet meer de eerste sappige grasjes eten in het voorjaar
Niet meer met je achterste op je baasjes voeten zitten
Niet meer koninklijk kijken in de bak voorop de fiets
Niet meer twee tennisballen tegelijk in je bek proberen te krijgen
Niet meer je Sinterklaas houding aannemen als een puppy je begroet
Niet meer achter een reiger aanrennen
Niet meer tug of war spelen
Niet meer je baasje een likje in haar gezicht geven
Niet meer cadeautjes helpen uitpakken
Niet meer een zoekspelletje doen
Niet meer bang hoeven te zijn voor vuurwerk
Niet meer op je buikje worden gewreven
Niet meer je rug krabben onder een lage ruwhouten tafel
Niet meer uitgestrekt met je poten plat naar achteren liggen
Niet meer zwemmend de bal achterna happen
Niet meer een stadsrondje lopen
Niet meer schromelijk verwend worden
Niet meer een blokje kaas bij de kaasboer
Niet meer een plakje worst bij Louman
Niet meer een koekje bij de kantoorboekhandel
Niet meer een stukje brood bij de bakker
Niet meer praten met je karakteristieke wenkbrauwen
Niet meer ’s avonds soms lekker worden ingestopt
Niet meer ’s ochtends iedereen vrolijk begroeten
Wel een enorme leegte achterlaten

Sam
2 juli 2005 – 29 december 2019

Bril

Stralend staat ze voor de deur met een zonnig geel boeket in haar hand. Terwijl ze energiek de winterregen van haar jas afslaat, vraagt ze me ‘wat vind je van deze bril?
Ze draagt een voor haar doen piepkleine bril. Het montuur is melkwit en loopt in een soepele lijn, zonder enig mechaniekje, in een keer door. Een prachtige uitvoering van een twintiger jaren ziekenfondsbrilletje.
‘Al drie mannen hebben gezegd dat ze eindelijk mijn ogen kunnen zien.’
Het is nu haar favoriete bril.

Ik heb Lydia nog nooit met dezelfde bril gezien. Ze zijn kleurrijk, opvallend en groot. Dame Edna en Elton John zijn er niets bij. Ze zoekt een montuur uit dat bij haar humeur en haar kleding past en wisselt minstens twee keer per dag. Ze durft me niet te antwoorden wanneer ik haar vraag hoeveel ze er nu heeft.
‘Mensen kunnen vaak zo naar reageren, alsof ik mijn geld daar niet aan mag besteden.’
Ik stel haar gerust, ik ben de laatste die haar daar op zou veroordelen en dan fluistert ze het zachtjes in mijn oor.
‘Hoezo ben je begonnen met brillen verzamelen?’, vraag ik haar nieuwsgierig.
Ze hoeft geen seconde te denken over het wanneer en waarom.
‘Nadat Lex, mijn man, is gestorven in 2001. Sommige mensen zijn tevreden met margarine, maar hij was roomboter. De liefste en beste man die ik had kunnen wensen. Zijn kinderen waren destijds niet blij met zijn keuze om mij te trouwen en dat werd me na zijn dood nog eens goed ingewreven. Ik voelde me zo alleen. De aankoop van een gekke bril was een soort comfort-food voor me. Ik werd gezien, terwijl ik me erachter toch kon verbergen. In de jaren erna werden de brillen steeds opvallender en extravaganter. Nu speelt die reden niet meer voor me, het is in de loop van de jaren een kunstvorm voor me geworden. Ik word blij van het verzamelen en het dragen.’

In haar huis heeft ze, net als bij een opticien, lange brede planken waar de kunstwerkjes op liggen. Ze heeft er plezier in er iedere dag naar te kijken en na rijp beraad te kiezen welk kunstobject ze zal dragen. Op het moment dat zij het montuur op haar neus zet, krijgt de vorm voor haar een functie, maar is zij op haar beurt een levende kunstdrager en dus weer een vorm. Form is function is form. Zouden haar criticasters dat begrijpen, dan zou het geroddel misschien verstommen. Of kijk ik nu door een gekleurde bril?

Volwassen

Na een kleine omzwerving ben ik weer terug bij mijn oude kapper. Ik vraag hem of hij alsjeblieft mijn korte haar zo lang mogelijk wil houden.
Terwijl hij met uiterste beheersing millimeters van mijn haar afhaalt, zegt hij zachtjes ‘Weet je wie er naast je zit?, dat is mijn moeder. Ze is voor het eerst met haar oudste kleindochter uit.’
Ik kijk in het linker, wat naar binnen geklapte deel van het spiegeltriptiek, zodat ik de zaak zowel achter als naast me in kan kijken. Zijn moeder, een kleine zeventiger in gemakkelijke, wat slobberige kleding, wordt door zijn partner met aandacht geknipt. Achter me worden de lange lokken van een jonge millennial al geföhnd.

Nadat zijn broer twintig jaar geleden was getrouwd en een kind had gekregen, had diens echtgenote er alles aan gedaan het contact met haar schoonfamilie te minimaliseren.
‘Op de dag dat mijn moeder op kraambezoek kwam en een kruippakje aan haar eerste kleinkind gaf, werd het weer in haar handen teruggeduwd.
“Wij kunnen zelf wel kleren kopen voor ons kind”, zei schoondochter.‘
Een paar dagen later ontving zijn moeder een bezoekersregeling. Veel zou ze niet van haar kleindochter mogen zien.

Tot vandaag. Het is achttien jaar later en kleindochter heeft besloten dat ze, nu ze officieel volwassen is, op haar verjaardag erachter wil komen wie haar oma is. Ze hebben samen gewinkeld, geluncht en zitten nu voor een nieuwe coupe in zijn kapperszaak.
‘Mijn nichtje wil straks graag een tattoo zetten en ze heeft oma gevraagd met haar mee te gaan. Mijn moeder weet het nog niet, maar de tekst wordt “oma forever”.’
Zijn verhaal emotioneert me, waarschijnlijk omdat in mijn familie jaren geleden ook sprake is geweest van een breuk, die gelukkig geheeld is.
‘Je moeder zou dan tegelijkertijd ook een tattoo kunnen laten zetten’ suggereer ik.
Hij kijkt me via de spiegel aan en is stil. Na een paar knipbewegingen legt hij zijn schaar neer, loopt naar de stoel naast me en overlegt. Nog geen twee minuten later is hij terug.
‘Dat was een goed idee’ zegt hij. ‘Gaat ze doen.’

Tante Pos

Heb jij dat ook? Dat je heel geconcentreerd en logisch nadenkend bezig bent met iets, en dat er dan tijdens dat proces een gedachte door je hoofd schiet die vanzelfsprekend lijkt, maar helemaal niet klopt? Dit gebeurde me het afgelopen weekend:

Ik maak een postpakketje klaar. Stevige bubbeltjesenvelop, adres duidelijk geschreven, alleen de postzegels missen nog. Mijn voorraad is op, dus ik stap op de fiets naar de Primera, dan kan ik meteen ook nog even enveloppen kopen. Onderweg zie ik én de rode brievenbus van tante Pos én dat het bijna 5 uur is, het tijdstip van de waarschijnlijke lichting. Ik haal het pakketje uit mijn tas en gooi het tevreden in de bus. Mooi, precies op tijd. In de krochten van mijn hoofd gaat een piepklein alarmbelletje af. Na tien seconden kan ik mezelf wel wat doen.
‘Je bent wel op tijd sufferd, maar de postzegels missen! Je was immers onderweg om die te kopen.’
Behalve dat ik twijfel of dit vergaande stommiteit, haastige spoed of beginnende dementie is, denk ik ook ‘wat moet de ontvanger wel denken? Zit hij daar straks een beetje opgezadeld met een boete.’

Ik koop alsnog de zegels en fiets terug naar de brievenbus. Wie weet heb ik mazzel en kan ik de postbeambte opvangen bij het legen van de bus. Mooi niet. De lichting blijkt pas om 19 uur te zijn en ik ga echt niet in het donker wachten terwijl het ook nog giet van de regen. Ik besluit vertrouwen te hebben in de goedheid van de mens en schrijf een kattebelletje op de achterkant van een kassabon.
‘Beste postbode, ik ben zo stom geweest de postzegels te vergeten. Mocht dit briefje niet zijn weggehaald door passanten en de vijf zegels zitten er nog in, wilt u deze dan op de A5 envelop met adres te L. plakken?’
Ik vouw de bon tot een klein envelopje, stop de zegels erin, adresseer het ‘Aan de postbode’, en plak het met een plakbandje van de drankwinkel aan de overkant, over het sleutelgat van de brievenbus.
De volgende dag krijg ik bericht uit L. Het pakketje is mét postzegels erop ontvangen. Rutger Bregman heeft gelijk: ‘De meeste mensen deugen’.

Vandaag ben ik naar de brievenbus terug gegaan. Wéér met een klein postiljon, wéér zonder postzegel. Het briefje, een ode aan de bovenste beste postbode, hoeft immers niet te reizen.

Soms is verlangen fijner dan hebben.

‘Ben je ook naar de markt geweest?‘ vraagt ze voorzichtig. De vrouw wil een praatje maken, maar anticipeert al op mijn reactie dat ik ‘ja’ brom en me weer in het niets terugzeggende schermpje verdiep. Ik leg mijn telefoon meteen omgekeerd op het tafeltje neer.
‘Ik heb een mooie lange jas gezien, die geweldig zou staan met hoge laarzen eronder.’
Haar hand tikt tegen haar been onder kniehoogte.
‘Hij is beige en past bij de kleur van mijn tas.’
Nu wijst haar hand naar de grote suède tas op de bank.
‘Hij kost 45 Euro, maar ik heb al een paar jassen. Nu heb ik wel 5 Euro terug kunnen geven aan hem’ en ze knikt naar de man achter het glimmende koffiezetapparaat, ‘dat was ik ‘m nog schuldig.‘
‘Soms is naar iets verlangen fijner dan het hebben’ reageer ik.
De klep van haar grijze pet bedekt steeds een deel van haar gezicht, maar nu kijkt ze me recht aan en haar bruine ogen onderzoeken me bedachtzaam.
‘Daar zou je een tegeltje van moeten maken of een televisieprogramma.’
Dan lijkt het gesprek van koers te veranderen.
‘Ze zeggen vaak dat ik een mooie vrouw ben, maar dat is helemaal niet belangrijk.’ Haar handen raken haar krullende, lange haar aan. ‘Als we dood zijn blijft van ons allemaal hetzelfde over, een paar botten. Het gaat om wie je bent. Of je goed voor de ander kan zijn.’
Het is even stil, en ik denk dat het gesprek is afgelopen, maar nee.
‘Ik heb een tweeling, twee jongens. Ze hebben de kinderen de dag na hun geboorte bij me weg gehaald.’
Ze kijkt tijdens het praten steeds even weg.
‘Ze wonen bij mijn zus. Ik kon het leven niet meer aan. Mijn man sloeg me, vertelde me dat ik niets kon. Ik was mezelf helemaal kwijt geraakt. Ik paste niet meer bij mijn naam, herkende mezelf niet meer in de spiegel.’
Haar verhaal springt heen en weer door haar leven. Ze had er al lang niet meer over gesproken, het was diep weggestopt, maar mijn opmerking had haar getriggerd.
Het was haar uiteindelijk gelukt van de man, die zo charmant kon zijn en waar ze zich in het begin zo veilig bij had gevoeld, te scheiden. In haar stem klinkt opeens haar vroegere verliefdheid door. Op advies van haar zus had ze de rechter in Marokko de dag voor de uitspraak aangeschoten. Gelukkig wilde hij naar haar luisteren. De man streek over zijn witte baard terwijl zij hem vertelde dat ze jaar in jaar uit, geestelijk en lichamelijk, was mishandeld.
‘Zo’n mooie en intelligente vrouw’, zei hij ‘en dan er zo slecht voor zorgen. Kom morgen maar niet naar de uitspraak.’
Hij zou het regelen en dat heeft hij gedaan.

Een paar jaar later heeft ze drie maanden met haar kinderen gewoond op de Lindengracht waar ze onder toezicht mocht proberen samen te wonen als gezin.
‘Het is het beste als kinderen bij hun eigen moeder zijn’ was er gezegd en daar was ze het helemaal mee eens.
Op het moment dat ze de jongens onder haar hoede had, bleek het echter moeilijker dan gedacht. De kinderen werden weer teruggeplaatst bij haar zus. Het verlangen om zelf voor ze te kunnen zorgen is er nog steeds.

Lange tijd heeft ze zich daarna afgezonderd van de wereld. Ze draaide de bank in haar kamer zodat ze letterlijk en figuurlijk naar binnen keek. Ze ging niet meer naar buiten en nam de telefoon niet op. Op een goede dag heeft ze zichzelf bij de lurven gepakt. Ze dwong zich tot een regime van regelmaat. Op tijd opstaan, veel sporten, geen drugs. Soms een glaasje, nooit te veel. Ze heeft zichzelf er weer boven op gekregen.

Haar man heeft ze nog een keer na de scheiding gezien, in de tram. Ze liep naar hem toe met een kind aan iedere hand en stelde ze aan hem voor. Een had haar kleur ogen, de ander die van hem. Sterk stond ze tegenover hem en wist: ik ben er nog, ondanks jouw pogingen me zo te vernederen tot ik dacht dat ik niemand meer was. Ik ben er, ik ben Basma.

De jurk

Zaterdag is het feest en na mijn kast te hebben geïnspecteerd op ‘what to wear’ besluit ik dat het toch wel leuk is een nieuwe jurk te kopen.

Op zich is het heerlijk om in de zomer kleding te proberen. Geen gedoe met allemaal laagjes afpellen, maar met een ruk over je hoofd ben je klaar om te gaan passen. Dat wil zeggen, zo gaat het in een normale Hollandse zomer. Met de huidige hittegolf heb je andere barrières te nemen. Na twee winkels zijn zowel ik als mijn jurk doorweekt en wordt de in principe zo eenvoudige handeling een gevecht tegen als 10 seconde lijm werkend zweet en opvliegers.

‘Maar wat zoekt u dan?’ vraagt de verkoopster, die me meewarig aankijkt.
‘Ik weet het niet, maar ik herken het wel’, zeg ik -zoals ik dat ook destijds heb gezegd tegen mijn man toen we op huizenjacht waren-.
Na haar vraag toch even te hebben laten bezinken, realiseer ik me dat ik eigenlijk precies weet wat ik wil, namelijk een jurk met een strak lijfje, een wijd uitwaaierende rok en in vrolijke kleuren. Drie uur later, tien winkels en veertig jurken verder, stort ik thuis uitgeput op de bank. Missie onsuccesvol.

’s Avonds, afgekoeld door een verfrissende onweersbui, kijk ik nog maar een keer in mijn kast. Dan maar een oude jurk aan, wie zal het merken. Dit keer open ik ook een kast met kleding die ik minder vaak draag. Als in een sprookje hangt tussen mijn wintervesten de perfecte jurk: smal lijfje, wijde rok, vrolijke kleuren, het prijskaartje bungelt er nog aan. Verbijsterd pak ik het kledingstuk en herinner me dan dat ik ‘m al in het vroege voorjaar voor het feest heb gekocht. Een deel van mijn geheugen had de aankoop compleet vergeten, maar in een ander deel was wel degelijk het uitgezochte model met de sprekende kleuren opgeslagen. Die jurk moest het zijn en niets anders. Tenzij ik in de stad dezelfde jurk had gevonden, was er simpelweg niets geweest wat aan mijn wensen had voldaan.

Hoe wonderlijk werken onze hersenen. Voer voor de neurologen! En ik heb een jurk!

Puberen

‘Yolanda!!!’ Twee zusjes rennen vrolijk op me af. De jongste weet niet hoe snel ze haar roze fietshelm moet afdoen om me in haar kusjes te smoren. De oudste omklemt me met haar krachtige Heimlichmethode.
‘Ik heb je zo gemist’ en –zonder tussendoor adem te halen- ‘kijk ik heb mijn rapport gekregen.’
Trots laat Lou me haar lijst zien, waar vrijwel alleen maar g’tjes op staan.
‘Dat betekent goed’ legt ze me voor de zekerheid uit.
Toen ze vijf jaar was waarschuwde juf haar moeder dat Lou een taalachterstand had en dat de ouders vooral niet Bosnisch met haar moesten praten. Mijn vriendin was ervan in de war en ik probeerde haar gerust te stellen. En zie nu, niet alleen het rapport is het bewijs, maar vooral haar dochters gedrag. Lou is bijna negen, verslindt boeken, was sneller dan snel uit de AVI en heeft een enorme woordenschat in Nederlands én Bosnisch.

We bestellen pizza, de kinderen zijn uitgelaten en kletsen de oren van hun moeders en Moma’s (dat ben ik) hoofd. Tussen de kinderbedrijven door kan ik nog een paar woorden wisselen met mijn vriendin. Ze is moe. Ze heeft twee dochters, een baan en een eigen bedrijf. Ze wil alles even goed doen en al die ballen in de lucht houden valt niet mee. Aan een ander tafeltje zitten ouders met hun zoontje. De volwassenen praten uitsluitend met elkaar, het jongetje is vergroeid met zijn Ipad. De meisjes rennen om hem heen en willen hem in hun spel betrekken. Hij kijkt even op, weet niet hoe hij moet reageren en duikt weer snel in zijn digitale wereld.
‘Ik geloof dat Lou al aan het puberen is’ zegt mijn vriendin verontrust, terwijl ze naar de uitgelaten meisjes kijkt. ‘Ze krijgt ook al borstjes. Dat is toch hartstikke jong voor een meisje van nog geen negen?
Een vroege puberteit is iets waar ze nu even niet aan moet denken.
‘Ze kan zo opstandig zijn en dan zegt ze soms dingen waar ze later weer spijt van heeft.’

Even later kruipt Lou op mijn schoot, onzeker en verdrietig na een kleine woede-explosie.
‘Er gebeuren soms rare dingen in mijn hoofd en dan roep ik van alles wat ik niet zo bedoel. Sorry.’
Ze legt haar armen om mijn nek en fluistert in mijn oor. ‘Ik ben ook bang dat ik later dronken word, en ga roken en een tattoo ga zetten. Maar dat wil ik helemaal niet.’ Ze kijkt me intens bedroefd aan en zucht diep. ‘Ik wil weer jong zijn en net als Runa roze dragen.’

 

De Grote Amsterdam Quiz

Ik zou er niet zijn en ben er toch. Vakantieplannen veranderen net zo snel als het Nederlandse weer en nu kan ik mee doen aan de Grote Amsterdam Quiz in de Nieuwe Kerk.
Bij de muziek van het orgel druppelen zo’n 350 deelnemers naar binnen. Ooit was de Nieuwe Kerk gebouwd voor katholieke kerkgangers, maar nadat katholiek Amsterdam in 1578 opportunistisch besloot toch maar de protestanten te steunen, werden de beelden uit de katholieke kerken gesloopt en de muren wit overgeschilderd. Nu konden de protestantse gelovigen zonder afleiding ter kerke gaan. Maxima moet zich deze verandering hebben gerealiseerd toen ze hier als katholieke protestant haar ja-woord gaf.

Achter mij zit een vrouw in een perfect op kleuren gekozen rode trui en zwarte rok aantekeningen door te nemen.
‘Heb je ervoor gestudeerd?’ vraag ik verbaasd. Ze kijkt verstoord op, ik heb haar uit haar concentratie gehaald.
‘Ja best wel, en nu neem ik nog even alles door zodat het vers in mijn hoofd zit.’
Een beetje overdonderd kijk ik verder rond. Voor me zit Hans Tulleners, de grote Amsterdam-kenner, in een rood-wit geblokt jasje nerveus het knopje van zijn zwarte pen met drie rode kruisjes in en uit te drukken. Naast hem staat een grote leren ‘advocaten’ koffer waar, vermoed ik, een heel stuk Amsterdam-archief in zit.
Het dringt langzaam maar zeker tot me door. Dit is geen geintje, geen geestige pubchurch quiz, maar een bloedserieuze wedstrijd tussen fanatici.

Exact om 13 uur stopt het orgelspel en vuren Johan Fretz van het Parool en Koen Kleijn van Ons Amsterdam de vragen op ons af.
‘Hoe lang is een roe?, Hoe heette de oorlog in 1428 tegen een aantal Duitse steden?, Welke korfbalvereniging heeft Drees niet opgericht?, Wat wilden Clooney en kornuiten stelen in de film Ocean Twelve?, Hoe heette in 1965 het kamp voor gastarbeiders in Amsterdam Noord?, Hoe heette de olifant die Rembrandt geschilderd heeft?, Waar woonde Rembrandt voordat hij naar het huidige Rembrandthuis verhuisde?, Wanneer vond de brand van Hotel Polen plaats?, In welke buurt woonden de meeste NSB-stemmers?, Wie was geen geboren Amsterdammer: den Uijl, Gullit, Carmiggelt?, In welke straat opende Cruijff zijn schoenenwinkel ‘Shoutique’?, Wanneer kwam Ransdorp bij Amsterdam? Hoe heette de man die de grond gaf waarop de Nieuwe Kerk is gebouwd en waar dankt de Dubbeleworststeeg zijn naam aan?’

Zeventig vragen verder kijken we elkaar wat lacherig aan. Een ding is zeker, als we niet winnen, hoeven we ons niet te schamen. Dan maakt Johan Fretz de winnares bekend die stomverbaasd naar voren loopt. Ze heeft een score van 54 op 70. Op de vraag of ze het moeilijk had gevonden, bekent ze dat ze vrijwel alles gegokt heeft.

Tijdens de borrel voor ons, Amsterdamse masochisten, volgt een pijnlijke ontknoping. Het blijkt dat er fout is geteld en gildegids Otto Meijer mag zich de echte winnaar noemen. Bescheiden neemt hij zijn prijs in ontvangst.
‘Liever in Mokum zonder poen, dan in Parijs met een miljoen’, zegt hij overtuigd.
Maar hij gaat nu wel lekker vijf dagen naar Nieuw Amsterdam.

 

Voetbal

Ik heb er een hekel aan. Vooral aan het geluid; de tv-commentator die als een veilingmeester opgewonden de namen van de voetballers en hun bewegingen afratelt, het scanderen van het publiek op de tribune, maar ook aan het ongecontroleerde testosteron wat los komt bij sommig publiek. De hersenen schakelen uit, de remmen gaan los. Hardcore supporters zijn geen aanspreekbare individuen meer, maar worden een anonieme groep die vechtpartijen en vernielingen niet schuwt. De stad voelt voor mij dan niet meer veilig.

Vorige maand fietste ik rond 23.00 uur van het Concertgebouw naar huis met in mijn hoofd nog de prachtige muziek van Bachs Mattheus Passion. Bij het Leidseplein golfde er een tsunami van heel ander geluid over me heen en was ik meteen terug in het hier en nu. Ajax had gewonnen van Juventus.
Thuis vertelde mijn man enthousiast hoe sinds jaren het voetbal weer mooi was en liet me de herhaling van de goals zien. Meer dan over de techniek, waar ik niet echt over mee kon praten, werd ik enthousiast over de uitstraling van de voetballers. Leuke, sympathiek-ogende jongens die hun overwinningsroes gul deelden met het uitgelaten publiek. Niet door als een narcistische hulk, al primitieve kreten uitstotend, over het veld te rennen met je shirt omhoog, maar door als dirigent voor de supporters te staan en met ze te zingen.
En zo zat ik, tot ieders verbazing, op 8 mei met mijn man naar de wedstrijd Ajax – Tottenham te kijken en deelde het verdriet van de voetballers op het eind. Dit hadden ze niet verdiend. Verbijsterd en kwetsbaar lagen ze op het veld.

Geen Champions League-, maar wel landskampioen, een overwinning die van de Burgemeesteres weer gevierd mocht worden op het Museumplein. Van de verbanning naar de Arena weer terug naar het stukje culturele groen in Amsterdam-Zuid.
Iets wat ik ook niet voor mogelijk had gehouden, gebeurde: ik ging kijken naar de inhuldiging op AT5. Het hechte team liet, lichtelijk overdonderd, het gejuich van honderdduizend supporters over zich heen komen. De euforische mensenmassa zong en sprong op het ritme van de spelers mee. Ik voelde de verbinding en de trots. De bierblikjes die naar onze burgermoeder werden gegooid waren een minpunt, maar hoe, zonder een spier te verrekken, De Ligt en Van der Sar ze als goochelaars uit de lucht plukten, was magistraal. Het moment dat Frenkie melancholiek in het niets naar zijn toekomst bij Barcelona staarde, aandoenlijk.
Jaren geleden vertelde mijn slager enthousiast over zijn zoontje, die zo goed was in voetbal. Trots had hij foto’s van het voetballende jochie op de grote vrieskast geplakt. We vertelden elkaar hoe gezegend we waren met onze kinderen. Die vader stond nu ook op het podium en mijn hart brak voor hem. Nouri had hier bij moeten zijn. De spelers eerden hun vriend en collega door een shirt met zijn rugnummer 34 te dragen. Ze vergaten hem niet, hij zal altijd een van hen blijven.
Het is een bijzonder team, op technisch maar vooral op menselijk vlak. Dank jullie wel.