Pieter

Pieter zit in zijn rolstoel met zijn rug naar de tv. Twee huisgenoten kijken naar Flodder. We hebben bitterballen mee voor zijn 78ste verjaardag. Ik geef hem een kus op zijn wang en een compliment. ‘Je ziet er goed uit Pieter, je hebt je baard getrimd’. Hij herkent me in eerste instantie niet en kijkt me met zijn bruine ogen leeg aan. De bitterballen daarentegen herkent hij wel en zijn zeer welkom. Hij heeft altijd problemen met zijn kunstgebit, dat hij dan ook meer niet dan wel in heeft, en deze oer-Hollandse borrelhap is makkelijk weg te werken. Hij pakt de bal voorzichtig, bijna teder, vast met zijn lange vingers en steekt hem in één keer in zijn mond. We proberen met hem te praten, maar zijn gemompelde antwoorden blijven steken in zijn baard. Pieter…

34 Jaar geleden, op een mooie lentedag, weigerde ons werkbootje nog in zijn achteruit te gaan. Op zondag was er geen mecanicien te vinden, maar iemand had het over Pieter, die op een woonboot woonde op de Oude Schans. Toen we 10 meter van onze bestemming af waren zagen we een aambeeld met een grote boog in het water belanden, gezegend met een oorverdovend ‘Godverdomme’. Pieter was blijkbaar niet in een goed humeur. Enigszins verbouwereerd legden we aan en het probleem uit. Luid mopperend wist Pieter ons bootje Romeo te repareren en konden we weer aan het werk.

De volgende dag kwamen we terug om hem te betalen. In het vooronder las hij ons een brief voor die hij net aan de Koningin had geschreven met een paar van zijn grieven. Een mooi schuinschrift, prachtig eloquent Nederlands en vol schrijffouten. Pieter had nooit de lagere school afgemaakt. Vervolgens reciteerde hij een paar gedichten. Op mijn vraag of hij een fotografisch geheugen had, zei hij ‘ja, met een lange belichtingstijd’.

Pieter, een van de laatste paradijsvogels van Amsterdam. Altijd ruzie met iedereen, en vooral met de overheid. ‘Waarom laten ze me niet leven?’ Toen zijn gammele boot weg werd gesleept, besloot hij naar Indonesië te vertrekken. Daar zouden ze hem wel met rust laten. Hij had er een goede, zijn beste, tijd. Lieve mensen, een vriendinnetje, respect. Maar hij kreeg weer ruzie, nu met twee Hollanders daar en werd door de Nederlandse ambassade vriendelijk verzocht het land te verlaten. Opeens stond hij in een koude decembermaand voor onze deur. Onze dochtertjes keken deze wilde Sinterklaas met grote ogen aan. We hielpen hem terug naar Indonesië, weer was hij gelukkig, tot zijn falende gezondheid hem definitief naar Nederland veroordeelde. Nu zit hij in een ‘ondersteund wonen’ huis. Hij heeft een aardige begeleidster, er is een lieve kok uit Sri Lanka en wij komen af en toe langs.

De bitterballen zijn op. Een druppel snot hangt aan het puntje van zijn baard. Ik twijfel of ik hem voor het afscheid moet kussen en doe het dan toch maar.

 

Carré

Je ziet en hoort ze al uit de verte aankomen. Een knalrood trainingspak, geblondeerde, piekerige haren met kraaltjes erin gevlochten en luid haar Willem aansporend haar maar te volgen. Lange Willem sjokt in zijn Bermudahemd en gekleurd petje achter haar aan, in zijn handen een linnen tas waarop de drie kruizen van Amsterdam: Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig.

Het is kwart voor acht en het duurt nog een kwartiertje voor het concert met Syrische musici in Carré gaat beginnen. Op het laatste moment hebben we kaartjes gekocht en zitten toch reuze goed in de ring op de derde rij. Het kleurrijke stel loopt langs ons en ploft twee rijen verder neer. Anja zit nog niet of ze veert weer op, een lege plaats vóór mij ziet er veel aantrekkelijker uit. De tas mag mee, Willem niet. Lang kan ze niet van haar nieuwe zitplaats genieten, want al snel wordt de stoel door de rechtmatige kaartbezitster opgeëist. Anja probeert haar af te schrikken door haar staalhard aan te kijken maar mevrouw is niet onder de indruk. Dan verhuist Anja naar een lege stoel naast mij en graaft met veel rumoer in haar linnen tas tot ze eindelijk vindt waar ze naar zoekt. ‘Willem, wil je wat?’ Een zak snoep wordt naar boven doorgegeven. Nu haar man tevreden aan het sabbelen is, scant zij met adelaarsoog over haar jachtterrein. Opgewonden wijst ze naar een paar lege plaatsen onder ons en roept ‘maar daar zit je goed!’ Ik suggereer –alsof ik een kind aan het opvoeden ben- ‘misschien komen er nog mensen’, waarop zij reageert ‘motten ze maar op tijd zijn’, maar opstaan doet ze toch maar niet.

Dan herhaalt de scene zich. Een vrouw wil naast mij gaan zitten, maar ziet in plaats van een lege stoel een rood trainingspak. Anja denkt weer ‘negeren, dan dondert ze wel op’ en kijkt strak voor zich uit. Ook deze vrouw laat het er niet bij zitten en Anja verhuist onder luid protest weer naar haar Willem, die ondertussen oerang oetang geluiden uitstoot om iemands aandacht te trekken. Je kan van alles van Anja vinden, maar niet dat ze geen volhouder is. Haar scherpe ogen hebben weer een nieuwe lege plek in de smiezen. Met de volle tas in haar hand wringt ze zich tussen knieën en stoelleuningen, maar het publiek heeft er genoeg van en laat haar niet meer door. Na een Amsterdamse woordenwisseling kiest ze eieren voor haar geld en vindt een lege plek vlak voor het podium. Ze joe-hoet opgewonden naar Willem, hij oerang oetangt vol testosteron terug. Of deze plaats nu slechter is of de apenroep van Willem sterker weet ik niet, maar ze staat weer op en gaat op haar eigen plek zitten, naast haar opgewonden man.

Het is acht uur. Het theater is afgelopen. Het concert gaat beginnen.