Leidseplein

Het restaurant is oudhollands ingericht met geschilderde tegeltableaus in de muur en naast onze tafel een aquarium met kleurrijke, exotische visjes. Zij worden door ons bewonderd terwijl hun soortgenoten gefileerd op ons bord liggen. Je kan niet altijd mazzel hebben.

De overgang is groot als we later van het knusse restaurant het grauwe Leidseplein op lopen. Een oudere man in een lange bruine Carmiggeltjas ligt op zijn knieën, zijn hoofd vlak boven de tegels. ‘Bent u iets verloren?’ vraag ik en zie zijn telefoon tussen zijn benen liggen. ‘Nee, nee, laat me maar. Niets aan de hand.’ Ik stop de telefoon in zijn zak en we proberen de zwaar beschonken man op zijn voeten te krijgen. Na ettelijke pogingen krijgen we het logge, niet meewerkende lichaam met zijn vieren omhoog en zetten hem in een haastig aangeschoven terrasstoel. Dan volgen de logische vragen: hoe heet u, waar woont u, kunnen we een taxi roepen? Hij schudt zijn hoofd en zegt met een aardappel in zijn keel: ‘Wat is dit een gênante vertoning’. Een verkeersbegeleider kijkt ons meewarig aan en besluit dan drastisch ‘ik roep de politie’.

Binnen een paar minuten stapt een jonge politieman met een manbun uit zijn auto. Op mijn onschuldige vraag of hij de man misschien naar huis kan brengen, lacht hij. ‘Daar zijn we niet voor. Dat zou mooi zijn als we iedere dronkaard naar huis brengen. Bovendien is het een nieuwe auto.’ Hij kijkt verliefd naar de blinkend witte Golf. ‘Hij gaat gewoon vannacht de cel in, zijn roes uitslapen.’ Ik protesteer en met mij een Marokkaanse jongen die zegt ‘ik komt net van een bijeenkomst over de dienstbaarheid van de politie’. Terwijl we discussiëren zegt de dronkaard met iets zorgeloos in zijn stem én een rollende R ‘ik ben zo dronken, laat me maar’, maar wij geven niet op. ‘Kunnen we iemand bellen, uw vrouw, kinderen?’ Dan kijken zijn ogen de agent opeens bewust aan en hij antwoordt melancholiek en licht verlangend ‘Nee niemand, ik ben van de herenliefde en u bent erg mooi’. Dan geeft hij zijn adres en de agent die ondertussen zijn warme kant laat zien, weet via zijn mobieltje binnen 10 seconden uit te vinden hoe de man heet, dat hij alleenstaand is en geen strafblad heeft.

We bereiken een compromis. Hij wordt niet naar de cel gebracht, maar we laten hem zitten op de stoel. Er zijn drie camera’s om hem heen die hem in de gaten houden en de agent belooft regelmatig poolshoogte te nemen. De sensatiebeluste voorbijganger die alles filmde op zijn telefoon loopt nu maar door. Dan verlaten we de man, eenzaam zittend op zijn houten stoel midden op het Leidseplein.

Change

Mijn dochter woont in New York. Graag deel ik met jullie haar gevoelens:

Yesterday I woke up in a country that was free and welcoming. Today fog replaced the sun that still shined so brightly yesterday. Today, the skies are grey, the air polluted. America should not only be ashamed, but concerned about its mental state. To use Trump’s words: the “cancer” of our world’s body clearly is not only concentrated in the Middle East.

The leader of the “free” world. A man who discriminates, abuses, sexually assaults, and offends. A man who does not use democratic or well-formed argumentation, a man who does not listen, a man who does not believe in global warming, a man who does not believe in people’s good. A man who does not believe in the value or contributions of people that may not look like him or have been able to enjoy the same privileges he has. A man who only believes in the one-liner that embodies the superficiality and void spirit of the American people.

The day the American people elected Trump proved that women can work harder, be better, more experienced and qualified for a job and still have to compete and lose to men. Trump embodies sexism, xenophobia, discrimination, hate. Where America could have made the world move forward by electing the first female president, it took a leap backward. Obama’s legacy is crippled. A man who has worked so hard to obtain civil and human rights, equal rights for people- no matter if they’re men, women, gay, straight, black, white, Hispanic, poor, rich, young or old. He represented and demonstrated how the world’s body can take leaps forward. Constantly hitting and passing the same obstacles and barriers, but with every leap coming closer to the finish line.

Today, the country must mourn and get together with the people that they love. We have to force ourselves to believe in the good, in our own power, within and among ourselves. We must believe in love. We must hope and exercise our privileges and rights that our democracy grants us. We cannot lean back and give up. Defeatism is not the answer. Today there is fog, a warning and message the world has took a wrong turn. But behind the fog the sun did come up today. Because we live in a world that has been and will be. The sun will shine again, with or without Trump. We have to believe we have created a world that is so self-sufficient this ideologue cannot simply stop it. We have to think for ourselves. Think. Think about future generations. Your sons, daughters, grandsons, granddaughters. In what world will they be living.

Take responsibility. Do not simply follow, but be a leader instead. Think. Judge for yourself and don’t fall back in laziness and reluctance by surrendering to the harm that was done.

Be the change you really want to see in this world.

We moeten het een beetje moeilijk hebben

De man begroet mijn hond, die relaxed in de bak voor op de fiets zit. ‘Hé kleine Boeddha, geniet je?’ Ik kijk hem somber aan vanonder mijn regenhoed. De druppels vallen langs mijn gezicht. ‘Het is geen goede dag’ antwoord ik voor mijn hond. ‘Trump wordt de volgende Amerikaanse president.’ Deze informatie is nieuw voor hem, maar hij reageert laconiek. ‘Ach, zo veel zal er toch niet veranderen?’ Zijn stem en woordgebruik zijn aristocratisch, zijn ogen stilstaande grijze poelen. Ik denk zijn dreadlock baard, lange haarslierten, kapotte tanden en haveloze kleding weg en vraag me af wat zijn levensverhaal is.

‘Ik denk dat er veel gaat veranderen’ reageer ik en door mijn hoofd schiet de bescherming van onze planeet, de Amerikaanse health care, de internationale relaties met Europa, Rusland en het Midden Oosten, de Mexicaanse muur en het uitzetten van illegalen. De baksteen in mijn maag wordt zwaarder en zwaarder.

‘We moeten het een beetje moeilijk hebben’, reageert hij. ‘Mensen moeten niet te veel krijgen, dat is niet goed voor ze. Het maakt ze lui. Gisteren kreeg ik een briefje van 20 Euro. Ik heb er mijn biertjes van gekocht en wat te eten. Vanochtend voelde ik me belabberd. Ik had het te gemakkelijk gekregen, ik had er niet voor gewerkt. Kijk, ik werk de hele dag. Verzamel flessen en krijg het statiegeld. Het is zwaar werk voor weinig inkomsten, maar ik doe het wel zelf.‘

Dan vervolgt hij ‘Ik weet best veel van vogels, en laatst zag ik een heel bijzondere. Ik was zo gelukkig. Maar toen zag ik nog een bijzondere en ik was er al veel minder blij mee en toen ik op dezelfde dag een derde zag werd ik boos. Het was teveel voor op een dag. Ik was blij met één!

“Hoe lang leef je al op straat?’ Hij denkt na. ‘Sinds 1996. Ik had een gebroken been en kwam terecht in een opvang, aan het einde van lijn 17. Toen ik weer kon lopen, lieten ze me gaan. Ik kreeg geen …pas mee, maar dat heeft me gered.’
Ik verstond het woord niet goed, maar duidelijk was dat je met deze pas leefgeld kon opnemen. ‘Als ik dat had gekregen, dan had ik niets meer hoeven doen. Veel beter zo’.

‘Waar slaap je?’ vraag ik vervolgens, op straat of in een nachtopvang?’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee, nooit nachtopvang, ook niet in de winter. Vannacht werd ik weggejaagd uit een portiek. Er ging een raam boven me open en iemand schreeuwde –ook zijn Engels is prachtig- ‘’Oh my God, he is still here, I am going to call the cops.’’ Nou ik ga vanavond gewoon terug hoor, maar laat, als zij al slapen.’

Tijdens ons gesprek loopt hij opeens door. Ik zou hem graag geld geven of kleding, maar weet nu dat hij dat niet wil. Ik stap op de fiets. Ik word steeds verdrietiger.

Zaterdagritueel

Het is zaterdag en dat betekent genieten van mijn wekelijkse rondje op de Lindengrachtmarkt. Eerst naar de bloemenkraam, want die is om 11 uur al ‘los’. Er staat altijd veel van weinig en voor een paar euri, zoals in de Jordaan wordt gezegd, staat ons huis weer vol geur en kleur. Voor mij in de rij koopt een oudere dame, platinablond met roze gloed, een bos gladiolen. “Marie, je moet het bovenste puntje er uit trekken, kijk zo, dan hou je ze langer’ vertelt de verkoopster. Marie deponeert de bloemen op haar rollator en zucht ‘Ze hebben nog meer aandacht nodig dan m’n man’. Ondanks deze waarschuwing koop ik ze ook.

Aan de overkant staat Herman met groente en fruit. Altijd optimistisch en perfect op de hoogte van het wel en wee van zijn klanten. ‘Is je man nog een beetje lief voor je?’ vraagt hij geïnteresseerd en geeft me een mandarijntje. Ondertussen helpt een oudere mevrouw mij mijn boodschappenlijstje af te werken. Ze heeft lieve reebruine ogen, dito kleur haar en een langzame tred. Ik vermoed dat ze licht aan het dementeren is. Ze komt drie keer bij me terug om te checken wat ik ook al weer had gevraagd.

De volgende stop is de visboer. Terwijl ik wacht op mijn haringen (toch eens vragen aan mijn man welke maat haring hij het lekkerste vindt), kijken twee Indiërs wat verwilderd naar het uitgebreide aanbod. ‘Is that octopus?’ vragen ze en wijzen naar een gebakken scholletje. ‘Plaice’ roept de baas met Volendams accent van achteren, maar het brengt ze niet veel verder. Ze gaan uiteindelijk voor de kibbeling met saus want ‘cod’ kennen ze wel.

Met armen vol bloemen, groente en fruit ga ik op huis aan. Op de brug passeer ik de Roemenen die hier jaar in, jaar uit dezelfde deuntjes spelen op accordeon en klarinet. Ik begroet mijn buurman die terug komt van zijn vaste zaterdagse zwemuurtje. Het weekend is weer begonnen!

Gevonden voorwerp

Na een gezellige maar niet erg goede lunch met mijn vriendin loop ik naar huis. Mijn oog valt op een witte Iphone die op de stenen trap ligt van het huis waar vroeger Youri Egorov woonde. Ik kijk om me heen, maar zie niemand in paniek zoeken naar haar (een witte telefoon lijkt me een typisch vrouwelijke keus) belangrijkste contact met de wereld. Ik besluit aan te bellen. Wat zou het geweldig zijn als Egorov nog had geleefd, de deur had opengedaan en als dank alleen voor mij een stuk gespeeld had. Dan zegt een vrouw kortaf door de intercom ‘nee, is niet mijn telefoon’, en verbreekt direct de verbinding. Ik besluit het apparaat thuis op te laden. Wie weet belt de eigenaresse tijdens haar zoektocht haar eigen nummer.

De volgende dag fiets ik naar het politiebureau aan de Marnixstraat om het toestel af te leveren. Ik geef mijn boodschap –alweer- door de intercom door, waarop de dienstdoende agent alleen zegt ‘dat mag u op de Lijnbaansgracht afleveren’. Ik antwoord ‘Oh, mag ik dat’ en fiets toch maar richting Lijnbaansgracht.

In het politiebureau tegenover de Melkweg hoor ik een Italiaanse man opgewonden spreken in de hoorn die naast het toestel ligt. Zijn lichaamstaal spreekt boekdelen. Twee agenten kijken verveeld toe. De vertaalster aan de andere kant van de lijn probeert het Napolitaans te verstaan, maar zo te horen nog met weinig resultaat.

Ik word verwezen naar een zijkamertje waar de dienstdoende agent de telefoon achteloos in ontvangst neemt. ‘Wat gaat u er nu mee doen?’ vraag ik. ‘Oh, die gaat morgen of zo naar gevonden voorwerpen op de Korte Leidsedwarsstraat’. Ik heb te doen met de eigenaresse van de telefoon die nog een dag in het ongewisse moet blijven en pak het apparaat weer uit zijn handen. ‘Ik breng het zelf wel’ zeg ik en verlaat het kantoortje dat even kaal is als zijn hoofd.

Vijf minuten later kom ik aan bij Loket gevonden voorwerpen. Ik lees op het bordje dat het van maandag t/m vrijdag tot 17 uur open is. Wat zouden die toeristen dan in het weekend moeten doen? Weer doe ik mijn verhaal en de dame zegt zowaar ‘dank u wel’. Ze noteert waar en wanneer ik de telefoon heb gevonden, maar vraagt verder niet naar mijn gegevens. Wanneer zou dat wel worden gedaan? Als je honderdduizend euro in een sporttas vindt? In ieder geval heb ik mijn burgerplicht gedaan.

Voordat ik het vertrek verlaat kijk ik nog ’s om me heen. Aan de wand hangen gigantische panelen, waar honderden haakjes, keurig in gelid, zijn ingeschroefd. Aan de haakjes hangt een collage van auto- fiets- en huissleutels aan hangers met fotootjes van de kinderen, I love Amsterdam, plastic roze ragebollen en andere opvallende artefacten. De borden lijken wel kleurrijke kunstwerken, alleen staat er geen naam van de kunstenaar bij, maar het weeknummer waarin de sleutels gevonden zijn. Een meisje naast me staat er net zo geïntrigeerd als ik naar te kijken. Dan zeg ik  ‘Een wereld gaat voor me open’ en ze antwoordt ‘Dat heb je mooi gezegd’.

Een keurige mevrouw

Gigantische regenbuien teisteren de stad. Het lijkt alsof Amsterdam van de kaart wordt geveegd, maar nu is het even droog.

Ik ga de deur uit en zie een vrouw over de gracht in mijn richting lopen. In eerste instantie denk ik (zoals observaties razendsnel gaan zonder dat je daar nou speciaal een reden voor hebt) ‘wat een keurige mevrouw. Ze zou in Amsterdam Zuid kunnen wonen. Ze draagt een beige stretchpantalon met een ribbelpatroon, net als mijn moeder deed en een geruit zacht geel en zwart jasje. Ze lijkt me een zeventiger met halflang geblondeerd haar dat naar binnen is geföhnd, ze draagt een zilverkleurig montuur dat veel vrouwen van die leeftijd hebben. Ze heeft een zachtaardige uitstraling.’

Dan bukt ze zich voorover, pakt iets van de straat en loopt weer door. Ze komt dichterbij en ik zie dat ze geen zwarte schoenen onder haar broek draagt, maar op sokken loopt. Ze bukt weer en nu zie ik beter wat ze doet. Ze heeft een papiertje in haar handen en legt het onder haar rechtervoet. Ze richt zich weer op, wrijft met haar voet heen en weer over het papiertje, bukt weer, pakt het papiertje op en loopt weer door. 10 Meter later bukt ze weer en het ritueel herhaalt zich. Alleen zie ik nu dat het papiertje dat ze op de grond legt een 5 Euro biljet is. Enigszins van mijn stuk vraag ik ‘Kan ik u misschien helpen mevrouw?’ Ze lijkt me niet te horen. Ze murmelt ‘ja, ja, ja, ja, ja, ja’ maar dit lijkt niet echt een antwoord op mijn vraag. Ze loopt langs me heen zonder haar langzame, maar voor haar doelbewuste tred te vertragen. Ik kijk haar na. Ze bukt weer, legt het biljet op de natte stoep en strijkt weer met haar doorweekte sok over het biljet.

Ik weet niet wat ik ermee aan moet. Hulp inroepen? Politie? En dan? Ze maakt een tevreden indruk, ze is niet angstig. Ik besluit niets te doen en stap op mijn fiets. Ik blijf aan haar denken.

Tante Ida 2

Af en toe kreeg ik tijdens mijn vakantie een berichtje van haar. ‘Zo maar een groet van je tante, het is erg stilletjes hier.’ Of ‘voel me vanmiddag erg alleen en dacht ik ga Yolanda een mailtje sturen.’ Ik heb met haar te doen. Iedereen wil ouder worden, maar niemand wil oud zijn. Ze vecht met hand en tand tegen haar ouderdom en weigert te accepteren dat deze komt met gebreken.

Mijn tanige tantetje wordt regelmatig, maar steeds onverwacht, gepijnigd door helse zenuwpijnen in haar rechterarm. Ze verbijt dan de pijn en zegt alleen zacht ‘oei, oei, oei, oei.’ Haar linkerarm hangt erbij als een lamme vleugel door een nooit geheelde gebroken ellenboog, maar toch weet ze ‘m nog achter haar hoofd te krijgen om haar haar op te steken. Daarnaast is ze stokdoof en kan alleen een een-op-een gesprek volgen. Makkelijk contact met de buitenwereld, zoals even bellen, is nagenoeg verdwenen. Al deze lichamelijke ongemakken weerhouden haar niet net te doen alsof ze alles nog kan.

Afgelopen week werd ze wakker in een doorweekt bed door een lekkende kruik. Ze wilde niemand op het nachtelijk uur storen en besloot het probleem zelf op te lossen. Ze had natuurlijk het logeerbed in de achterkamer kunnen nemen, maar dat zou te makkelijk zijn. Met alle kracht die in haar 40 kilo lichte lichaam zat trok ze het matras van haar bed, liep naar de eerste verdieping, pakte een matras van een ander bed en gooide deze van de trap af naar beneden. Hoe ze zich op de trap langs het logge ding heeft gewurmd wil ik me liever niet voorstellen. Uitgeput maar voldaan heeft ze het matras uiteindelijk op haar eigen bed gekregen. Ze zal de rest van de nacht heerlijk hebben geslapen. In ieder geval werd ze niet gehinderd door het licht, want dat had ze die middag met de bezem per ongeluk kapot gemaakt toen ze een spinnenweb wilde verwijderen.

Het was gisteren een goed weerzien en dat gingen we vieren met gemberthee en soesjes. In de keuken worstelde ik met het openen van het potje gember. Tante Ida kwam binnen, pakte direct een schroevendraaier uit de keukenla, plaatste het uiteinde tussen glas en deksel en verbrak het vacuüm. Opgelost. Ik stond er wat beteuterd bij.

Haar eigenwijsheid en wil om alles, ondanks haar handicaps, zelf te doen is voor anderen niet altijd even makkelijk. Maar dankzij deze eigenschappen is ze wel al zo oud geworden. “Ben je bang voor de dood?‘, vraag ik. ‘Daar heb ik nog helemaal niet aan gedacht, ik slaap gewoon in.’ ‘Geloof je in een hiernamaals?’ ‘Natuurlijk.’ En dan ‘Kom je snel weer langs?’

Stephan

Terug van vakantie en dat betekent dat de wasmachine en koelkast om het hardst schreeuwen om gevuld te worden. Met een volle boodschappenwagen sta ik bij de kassa als een man van eind twintig me vraagt of hij even voor mag. Hij heeft slechts een blikje huismerk cola, dat hij al voor de helft heeft opgedronken. Nadat hij heeft afgerekend zet hij spontaan mijn boodschappen op de band. Zoveel haast heeft hij dan toch blijkbaar niet. Maar eerst stelt hij zich voor. Hij zet zijn zonnebril achterstevoren op zijn jagershoedje en zegt ‘Ik ben Stephan’. Mijn hand verdwijnt volledig in zijn sterke, behaarde, werkersknuist. Dan pakt hij voorzichtig het kwetsbare fruit dat ik ruim heb ingekocht. ‘Voor mijn dochters’, leg ik uit, ‘dat zijn fruitmonsters’. ‘Wie houdt er nou niet van fruit’ antwoordt hij in beginnend Nederlands en gevorderd Engels met Oost-Europees accent. ‘People love it, dogs love it, every animal loves it.’ ‘Mijn hond niet’, zeg ik en besluit, als ik naar zijn bruine voortand kijk, niet op zijn advies in te gaan om fruit te bestrooien met suiker voordat ik het aan Sam geef. Ik vraag hem of hij honden heeft. ‘I am a dog myself’ zegt Stephan, ‘I think like a dog and I live like a dog.’ Het is me niet helemaal duidelijk wat hij daarmee bedoelt, maar voordat ik hem dat kan vragen switcht hij alweer naar een nieuw onderwerp ‘het weer’. ‘Weet je dat regen komt van regenereren?’ Regen maakt alles nieuw. Als je een paar talen spreekt kan je dat soort connecties maken. Dat is leuk. Dan krijg je meer inzicht. Iedereen zou meer talen moeten spreken.’ En dan schudt hij plotsklaps mijn hand en loopt weg.

Als ik met mijn zware tassen de deur uit kom, staat hij buiten op me te wachten. Hij verdeelt de boodschappen over de twee fietstassen en –ondanks herhaaldelijk protest dat dat echt niet hoeft- verlengt hij de sluitingen van de tassen om alles maar goed dicht te krijgen. En dan komt uiteindelijk toch de vraag die ik al in de winkel had verwacht. ‘Ik ben hier alleen, het kan mijn ouders niet schelen hoe het met mij gaat. Ik heb wel broers en zussen in Roemenië, maar ik ben alleen vertrokken, de wereld in. Je moet het immers zelf voor elkaar krijgen. Heb je misschien wat kleingeld voor me? ‘ Ik geef hem de paar losse munten die ik bij me heb. ‘Thank you, thank you’ en weer pakt hij mijn hand. Dit keer nemen we echt afscheid. Hij loopt met grote passen weg en ik stap op mijn fiets. Nog maar net terug in Amsterdam en het is nu alweer leuk.

Vakantieblues

Het is nog vroeg als ik wakker word. De klok van het kleine Middeleeuwse dorpskerkje slaat 8 uur. Het eerste glinsterende zonlicht strijkt zacht over het meer, een kleine rimpeling trekt over het water. Een volkomen rust overspoelt me. Er is nog nergens een beweging te ontdekken. Een hond blaft de stilte tegemoet, een paar houtduiven klapperen omhoog uit de bosschage, een ezel balkt klagelijk. En dan is er het eerste menselijke teken van leven. Een middelbare racefietser stapt af en geniet, net als ik, van het spectaculaire uitzicht over het meer. Even schudt hij zijn hoofd voordat hij weer opstapt. Zoveel schoonheid is nauwelijks te bevatten.
De laatste dag van de vakantie. Een periode van stedenbezoek, het meer, familie en vrienden zien, een grootse verjaardag vieren, lezen, slapen en eten. Te veel eten. Straks, als ik thuis ben in het natte Amsterdam, wordt het een uitdaging weer op mijn oude gewicht te komen. Maar nu, nog even genieten. Vanavond een mooie pasta, een goede fles wijn en dan arrivederci, à presto!

Eitzes

Eitzes. Hoe vaak hoor ik niet dat ze, manlief en dochters, daar geen behoefte meer aan hebben. ‘Neem probiotica mee naar Azië, ik zou vroeger vertrekken, trek een jas aan, heb je al gezocht op internet.’ Heb je het door? Precies, eitzes is ongevraagd advies.

Maar dan komen we op het punt, wat willen ze dan wel horen? Wat dacht je van ‘wat vervelend dat je darmen van slag zijn, wat jammer dat je de trein hebt gemist, zonde dat je nu net verkouden bent en wat een pech dat je daar niet eerder achter bent gekomen’.
Ze willen geen spontane praktische adviezen meer, maar wel medeleven als het even anders loopt dan gewenst.

Het is moeilijk om mijn mond te houden. Jarenlang, een leven lang, vond ik het mijn taak dingen te helpen onthouden, adviezen te geven en te organiseren. Dit werd in dank afgenomen. Zij blij en ik blij. Maar nu zitten we in een nieuwe fase. Manlief heeft geen continue assistente nodig en de meisjes willen hun eigen fouten maken. Logisch! Het is de enige manier om zelfstandig in het leven te kunnen staan. Nu is het tijd mezelf eitzes te gaan geven: ‘niets zeggen, laat los, komt goed.’