Pieter

Pieter zit in zijn rolstoel met zijn rug naar de tv. Twee huisgenoten kijken naar Flodder. We hebben bitterballen mee voor zijn 78ste verjaardag. Ik geef hem een kus op zijn wang en een compliment. ‘Je ziet er goed uit Pieter, je hebt je baard getrimd’. Hij herkent me in eerste instantie niet en kijkt me met zijn bruine ogen leeg aan. De bitterballen daarentegen herkent hij wel en zijn zeer welkom. Hij heeft altijd problemen met zijn kunstgebit, dat hij dan ook meer niet dan wel in heeft, en deze oer-Hollandse borrelhap is makkelijk weg te werken. Hij pakt de bal voorzichtig, bijna teder, vast met zijn lange vingers en steekt hem in één keer in zijn mond. We proberen met hem te praten, maar zijn gemompelde antwoorden blijven steken in zijn baard. Pieter…

34 Jaar geleden, op een mooie lentedag, weigerde ons werkbootje nog in zijn achteruit te gaan. Op zondag was er geen mecanicien te vinden, maar iemand had het over Pieter, die op een woonboot woonde op de Oude Schans. Toen we 10 meter van onze bestemming af waren zagen we een aambeeld met een grote boog in het water belanden, gezegend met een oorverdovend ‘Godverdomme’. Pieter was blijkbaar niet in een goed humeur. Enigszins verbouwereerd legden we aan en het probleem uit. Luid mopperend wist Pieter ons bootje Romeo te repareren en konden we weer aan het werk.

De volgende dag kwamen we terug om hem te betalen. In het vooronder las hij ons een brief voor die hij net aan de Koningin had geschreven met een paar van zijn grieven. Een mooi schuinschrift, prachtig eloquent Nederlands en vol schrijffouten. Pieter had nooit de lagere school afgemaakt. Vervolgens reciteerde hij een paar gedichten. Op mijn vraag of hij een fotografisch geheugen had, zei hij ‘ja, met een lange belichtingstijd’.

Pieter, een van de laatste paradijsvogels van Amsterdam. Altijd ruzie met iedereen, en vooral met de overheid. ‘Waarom laten ze me niet leven?’ Toen zijn gammele boot weg werd gesleept, besloot hij naar Indonesië te vertrekken. Daar zouden ze hem wel met rust laten. Hij had er een goede, zijn beste, tijd. Lieve mensen, een vriendinnetje, respect. Maar hij kreeg weer ruzie, nu met twee Hollanders daar en werd door de Nederlandse ambassade vriendelijk verzocht het land te verlaten. Opeens stond hij in een koude decembermaand voor onze deur. Onze dochtertjes keken deze wilde Sinterklaas met grote ogen aan. We hielpen hem terug naar Indonesië, weer was hij gelukkig, tot zijn falende gezondheid hem definitief naar Nederland veroordeelde. Nu zit hij in een ‘ondersteund wonen’ huis. Hij heeft een aardige begeleidster, er is een lieve kok uit Sri Lanka en wij komen af en toe langs.

De bitterballen zijn op. Een druppel snot hangt aan het puntje van zijn baard. Ik twijfel of ik hem voor het afscheid moet kussen en doe het dan toch maar.

 

Carré

Je ziet en hoort ze al uit de verte aankomen. Een knalrood trainingspak, geblondeerde, piekerige haren met kraaltjes erin gevlochten en luid haar Willem aansporend haar maar te volgen. Lange Willem sjokt in zijn Bermudahemd en gekleurd petje achter haar aan, in zijn handen een linnen tas waarop de drie kruizen van Amsterdam: Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig.

Het is kwart voor acht en het duurt nog een kwartiertje voor het concert met Syrische musici in Carré gaat beginnen. Op het laatste moment hebben we kaartjes gekocht en zitten toch reuze goed in de ring op de derde rij. Het kleurrijke stel loopt langs ons en ploft twee rijen verder neer. Anja zit nog niet of ze veert weer op, een lege plaats vóór mij ziet er veel aantrekkelijker uit. De tas mag mee, Willem niet. Lang kan ze niet van haar nieuwe zitplaats genieten, want al snel wordt de stoel door de rechtmatige kaartbezitster opgeëist. Anja probeert haar af te schrikken door haar staalhard aan te kijken maar mevrouw is niet onder de indruk. Dan verhuist Anja naar een lege stoel naast mij en graaft met veel rumoer in haar linnen tas tot ze eindelijk vindt waar ze naar zoekt. ‘Willem, wil je wat?’ Een zak snoep wordt naar boven doorgegeven. Nu haar man tevreden aan het sabbelen is, scant zij met adelaarsoog over haar jachtterrein. Opgewonden wijst ze naar een paar lege plaatsen onder ons en roept ‘maar daar zit je goed!’ Ik suggereer –alsof ik een kind aan het opvoeden ben- ‘misschien komen er nog mensen’, waarop zij reageert ‘motten ze maar op tijd zijn’, maar opstaan doet ze toch maar niet.

Dan herhaalt de scene zich. Een vrouw wil naast mij gaan zitten, maar ziet in plaats van een lege stoel een rood trainingspak. Anja denkt weer ‘negeren, dan dondert ze wel op’ en kijkt strak voor zich uit. Ook deze vrouw laat het er niet bij zitten en Anja verhuist onder luid protest weer naar haar Willem, die ondertussen oerang oetang geluiden uitstoot om iemands aandacht te trekken. Je kan van alles van Anja vinden, maar niet dat ze geen volhouder is. Haar scherpe ogen hebben weer een nieuwe lege plek in de smiezen. Met de volle tas in haar hand wringt ze zich tussen knieën en stoelleuningen, maar het publiek heeft er genoeg van en laat haar niet meer door. Na een Amsterdamse woordenwisseling kiest ze eieren voor haar geld en vindt een lege plek vlak voor het podium. Ze joe-hoet opgewonden naar Willem, hij oerang oetangt vol testosteron terug. Of deze plaats nu slechter is of de apenroep van Willem sterker weet ik niet, maar ze staat weer op en gaat op haar eigen plek zitten, naast haar opgewonden man.

Het is acht uur. Het theater is afgelopen. Het concert gaat beginnen.

 

Nieuwe vrienden

Zo had ik de onderdoorgang van het Rijks nog niet eerder gezien. Geen fietsen, maar twee eindeloos lange, mooi gedekte tafels stonden te wachten op 500 lieve Amsterdammers die gefêteerd gingen worden op een Vrijheidsmaaltijd. Simon Levie, Joris Bijdendijk en hun collega’s hadden de handen ineen geslagen om op Bevrijdingsdag een etentje te geven voor Amsterdammers van velerlei pluimage met minstens één gemeenschappelijke deler: de zorg voor elkaar en voor de stad.

De stemming zat er met een glas vlierbessensap in de hand meteen in. Ik zat naast Peter, een ras-Amsterdammer, eind vijftig, lachogen en joviaal. Ik knoopte het rood-wit-blauwe servetlintje met Eberhards opdracht aan de stad om zijn pols en wist als snel dat met hem naast je, je niet bang hoefde te zijn voor stiltes. Peter mocht mee met zijn vrouw Janneke. Een mazzelaar vond hij zichzelf, al 35 jaar. Janneke, blond, rustig, heldere ogen, luisterde vooral, maar op mijn buurmans vraag wie de baas was in hun relatie, keken we allemaal haar kant op. Ze kenden elkaar al sinds hun 13e, maar de pa van Janneke was communist en toen Jannekes relatie met de Katholieke Peter wat inniger werd, stak pa daar een stokje voor. Een communist met een Katholiek was onbespreekbaar. Toch zette Peter door en ging hij óp en pa door de knieën. ‘Net op tijd’ zei Janneke. De twee hebben veel liefde te geven, aan elkaar, aan hun kinderen en aan Amsterdammers waar het niet goed mee gaat. Peter was verpleegkundige en Janneke ‘doet’ de zware gevallen bij een hulpverleningsinstantie. ‘Ja natuurlijk kom je wel eens in rare situaties, maar ik ben niet zo snel bang’. Ze vertelt over een man die na een mooie carrière, uiteindelijk alleen en dement in een groot, verwaarloosd huis woonde. Soms gaf hij Janneke een klapje op de bil of zei ‘kusje, kusje’. Dat zijn assistente destijds wel, maar Janneke hier nu niet op inging was nóg een reden tot verwarring.

Dan neemt Peter me op het eind van de avond in vertrouwen. ‘We hebben de laatste jaren echt sores gehad, maar niemand van onze vrienden heeft iets laten horen. Kan je je dat voorstellen als je al 40 jaar bevriend bent? Ik ben er zo klaar mee. En nou zeg ik tegen Janneke “weet je wat, we gaan in een T-shirt lopen met de tekst ‘Ik zoek nieuwe vrienden’’’. Maar vanavond was zo’n shirt niet nodig!’

 

image1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cornelia

Opeens zie ik haar weer. Een vrouw die al meer dan 25 jaar over straat zwerft en ononderbroken met luide stem haar warrige gedachten deelt met haar omgeving. Mensen voelen zich ongemakkelijk en lopen bang of met een ‘val me niet lastig-houding’ met een grote boog om haar heen. Het lijkt haar niet te deren.

Ik realiseer me dat ik haar nooit echt heb aangekeken als ik haar een Euro gaf. Ik ga naar haar toe en een man aan wie ze net geld vraagt, maakt zich snel uit de voeten. ‘How are you? I haven’t seen you for a long time.’ Ik geef haar een handvol muntjes en we maken oogcontact. Onder haar groezelige gezicht zie je wat voor mooie vrouw zij eens is geweest. Tot mijn verbazing heeft ze fluwelen hazelnoot ogen die pijnlijk contrasteren met haar wilde, ongekamde bos haar. Het is ongelooflijk dat haar taaie lichaam het nog steeds volhoudt. Als drugs- en drankverslaafde is ze al jaren deel van een Amsterdam dat ik niet ken. In aftandse kleren en vele maten te groot loopt ze vaak rond bij de Noordermarkt. Maar nu zijn we op het Waterlooplein. Terwijl we over koetjes en kalfjes praten, komt een medewerker van de koffiesalon naar buiten om haar weg te jagen. Als hij ziet dat er niets aan de hand is, draait hij zich -opeens onzeker van zijn taak- maar weer om.

Dan noemt de vrouw haar eigen naam ‘Cornelia’ en ineens is ze geen willekeurige zwerfster meer, maar een vrouw met haar eigen geschiedenis. Lang geleden is ze naar Nederland gekomen als getalenteerde balletdanseres. Haar wereld stortte in toen haar dochtertje plotseling stierf. Ze verloor niet alleen haar kind, maar ook zichzelf en belandde uiteindelijk op straat. Nu heeft ze het over bomen in het land waar ze vandaan komt, Canada, en dat de politie hier tegen haar heeft gezegd dat de bomen in Amsterdam anders zijn. Ik begrijp het niet helemaal maar knik toch maar instemmend. ‘You know what I hate? Injustice.’ En later zegt ze ‘You know I can be fined 100 Euro’s if I ask for a cigarette?’ Dan scheiden onze wegen zich. Ik pak mijn fiets, zij gaat haar eigen weg.

Is er meer?

We zijn op de terugweg van een bezoek aan een oudere maar uiterst vieve vriendin. Ze heeft een half jaar geleden haar partner verloren, maar ondanks het grote gemis houdt ze zich goed staande. Dat is, volgens haar, vooral te danken aan de liefdevolle manier waarop haar partner de laatste weken voor haar dood, haar heeft voorbereid. Het lichaam was op en haar geest was klaar om naar het oneindige toe te gaan, maar ze heeft nog tien weken de tijd genomen om haar vrouw te helpen met het naderend afscheid en een leven alleen. Maar volgens onze vriendin is dat niet alles. Ook nu ze dood is, blijft ze continu in haar leven aanwezig. Ze herkent haar bijvoorbeeld in een dagpauwoogvlinder die op hun oude spinnenwiel gaat zitten, net voordat ze deze afgelopen december weg geeft. Vlinders zijn er immers niet in de winter. ‘En heb ik je het verhaal verteld van het servies?’ vraagt ze aan ons. Wij schudden van nee. ‘Ik heb dit oude servies nog van mijn moeder. Het is wit met een kosmosblauwe rand. Er is van alles zes, behalve van de soepkommen, want Sonja heeft er jaren geleden een laten vallen. Ik heb er nog steeds de smoor in. Iedere keer als ik de kast open doe, tel ik ze. Een, twee, drie, vier, vijf. Geen zes. Maar een stapel van zes ziet er toch echt anders uit dan een stapel van vijf, dus laatst besloot ik om op internet te gaan zoeken naar de missende kom. Helaas zonder resultaat.’ We luisteren naar haar verhaal en vragen ons af waar het naar toe gaat. Ondertussen zien we in haar tuin koolmeesjes, roodborstjes en merels genieten van de uitgebreide maaltijd van zaden, nootjes en stukjes appel die ze hen iedere dag weer opdient. ‘En je zal het niet geloven, maar vorige week open ik de kast, tel weer uit gewoonte en kom uit op zes! ‘Dat klopt niet’ denk ik, doe het kastje dicht en weer open, tel nogmaals en ik kom weer tot zes. Dat is toch ongelooflijk wat ze allemaal voor me doet?’

Ik rij terug terwijl mijn man zich overgeeft aan een power nap. Ik ben altijd voorzichtig met ervaringen ‘uit een andere wereld’. Ik ben er vanuit mijn moeders kant gevoelig voor, maar prefereer de nuchtere kijk van mijn vaders zijde. Plotseling, zonder enige aanwijsbare reden, remt een auto keihard voor me op de snelweg waar we 130 mogen rijden. Al de hele weg hoor ik de waarschuwing van mijn –al 11 jaar dode- vader in mijn hoofd dat je genoeg afstand van je voorganger moet houden en houd me er aan. Ik rem en wijk uit naar de rechterbaan waar ik geen auto zie, waardoor de wagen achter mij meer remruimte heeft. Het loopt goed af. Door de manoeuvre is Felix direct wakker. Een minuut later belt onze dochter vanuit New York overstuur op. ‘Pappa, ik droomde net dat je dood was, gaat alles goed met je? Hij kalmeert haar en babbelt over koetjes en kalfjes. Dan hangt hij op. We kijken elkaar alleen maar aan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afscheid van een familiehuis

Vol goede moed beginnen we met het opruimen van mijn tantes huis. Vanaf 1928 werd het huis bewoond door mijn grootouders, hun acht kinderen en twee pleegkinderen. Het kroost werd volwassen en vloog uit op twee dochters na. Zij bleven, ongetrouwd, samen thuis wonen, eerst nog met hun moeder, later met hun tweeën. Uiteindelijk stierf ook Ida, 93 jaar, een paar maanden geleden. Ze liet het huis na met bijna 90 jaar aan nooit opgeruimde herinneringen.

Nu kom ik binnen met een sleutel, maar jarenlang stond het kleine raampje in de voordeur op een kier. Door het luikje open te duwen, spande een touwtje en werd het slot geopend. Je stapte zo naar binnen. De trap met bewerkte withouten balusters is voor de helft versmald door een traplift. Niet dat mijn tante die gebruikte. Tot vrijwel het einde toe dwong ze zichzelf een paar keer per dag trappen te lopen om fit te blijven.

Het keukentje is een combinatie van verouderde kastjes en 70er jaren wandbekleding. Achter de deurtjes liggen lapjes, oud bestek en lege Becelkuipjes, waar ze restjes eten in bewaarde of je stoofpeertjes in meegaf. Luxe heeft ze nooit gekend. Toen het leven wat guller werd, is ze toch altijd karig voor zichzelf gebleven. Een basis aardappel, wat groente, soms een stukje vlees. Geen poespas om het lekkerder te maken. In de koelkast kaas en gember, deze lekkernij permitteerde zij zich dan wel. Andere Nederlandse attributen van zuinigheid: een flessenschraper, een rekje om een fles op zijn kop in te zetten voor de laatste druppels vla en een zeepklopper waar restjes zeep in werden gedaan om nog een handwas mee te kunnen doen. In de bijkeuken staan talloze vaasjes en potten. Iedere dag werden haar geliefde bloemen en planten bekeken, gesnoeid en bewaterd. Vazen stonden vanzelfsprekend op een bordje, om de meubels, die de laatste decennia nooit meer in de was waren gezet, niet te schaden.

De zitkamer en suite heeft hoge plafonds en glas-in-lood ramen. Achter een klein maar heerlijk tuintje, waar vogels graag komen om zaden en pinda’s te eten. Ik zou zelf altijd in de serre zitten, met het uitzicht op de tuin, maar mijn tante zat er met haar rug naar toe. Ze was al jaren doof en wilde met haar gezicht naar de deur zitten, zodat ze niet verrast werd door binnenkomend bezoek. Een oude bruine piano met koperen kandelaars dient als onderzetter voor foto’s en snuisterijen. Er is al tientallen jaren niet op gespeeld. Haar moderne sta-op stoel staat naast een oude prachtig bewerkte gietijzeren haard. Het hendeltje kan verzet worden volgens de inscripties van zacht naar matig naar heet. Overal zijn herinneringen aan Nederlands Indië waar mijn grootvader werkte voor de Deli Maatschappij. Bewerkte tafeltjes met koperen inlegblad, gesneden houten beeldjes, schilderijtjes. Ieder tafeltje, en er zijn er tientallen, wordt bedekt met Perzische tapijtjes en op de grond liggen losse stukken vloerbedekking die de vele kale plekken maskeren. Kastjes staan tegen wanden maar ook onder tafels. Kastjes die vol liggen met papieren waar we doorheen moeten voor we het kunnen weggooien.

We vinden correspondentie van mijn grootouders, geschreven vanaf de boot op weg naar Nederlands Indië. Ze hebben dan 1 dochter, die polio krijgt omdat ze niet bij vertrek was ingeënt. Een leven lang zal Corry moeten lopen met een klompschoen. Ik vind een programma van het Cabaret du Chat Noir ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Deli Maatschappij in Medan. Het feest vindt plaats op 30 april 1920, mijn vader is dan nog net niet geconcipieerd. En er is correspondentie tussen mijn grootmoeder en haar kinderen die na de oorlog zijn geëmigreerd naar de VS, Zuid-Afrika, Rhodesië en Nieuw-Zeeland. Keurig per kind in verschillende mapjes opgeborgen, hun naam op de voorkant.

Ik vind een notitie over het sterfbed van mijn vader. Tante Ida heeft minutieus bijgehouden wie mijn vader de laatste tien dagen nog heeft bezocht wanneer hij is opgenomen in het verzorgingshuis van mijn moeder. Het briefje eindigt met de plotselinge dood van mijn moeder 21 uur na mijn vader. Karel 16.15 uur, Marijke 13.00 uur. De laatste nacht hebben zij samen in dezelfde kamer kunnen doorbrengen. Ik lees dat tante Ida deze nacht ‘Huwelijksnacht’ heeft genoemd.

De eerste verdieping behoorde toe aan tante Corry, die in 2003 is overleden. Haar kamers zijn niet opgeruimd. Integendeel, er is na haar dood steeds meer bijgezet. Zij verzamelde stenen en mineralen. Een wand vol schatten der aarde ligt er verstoft bij. Niemand die er nog geïnteresseerd in is. Er is nog zo’n wand in haar slaapkamer, maar dan gevuld met Engelse boeken. Ze was, zover ik weet, een strenge maar uitstekende lerares Engels. In een kledingkast vind ik een zak met stukjes textiel. Alle reepjes stof die bij het innemen van broeken en rokken over waren, zijn bewaard. Op zolder liggen hutkoffers met namen erop geschilderd. Met moeite weten we te herinneren wie dat geweest moeten zijn. Er liggen wel acht uitschuifplanken van een tafel, maar de tafel kunnen we niet vinden. Ook de oorspronkelijke 15 cm korte koperen brievengleuf is bewaard. Hij werd ingeruild voor een langere, want de poststukken werden groter. Twee puzzelstukjes in een boterhamzakje, met de vraag erbij ‘van welke puzzel?’. Je mag kiezen uit 40 puzzeldozen van 2000 stukjes. En dan zijn er nog tientallen lakens, dekens, handdoeken. Nooit gebruikt. Eerst moesten de oude op.

Uiteindelijk hebben we er grover doorheen moeten gaan. Met de dag werden we radicaler en werd alleen nog een scheiding gemaakt in houden, weg of kringloop. Nu is het huis weer presentabel. Gisteren zijn foto’s gemaakt en volgende week staat het in de verkoop. Ik hoop dat de nieuwe eigenaren van geschiedenis houden.

 

 

Oud geleerd

Mijn overbuurman is dolgelukkig met zijn nieuwe hondje. Uitvoerig vertelt hij hoe Guus, een jonge Borderterriër, zijn eerste vakantie met het gezin in de Ardennen heeft doorgebracht. ‘Wat een werk is het’, verzucht hij ‘ maar we zouden hem nu al niet meer kunnen missen.’ Ik kijk naar Sam, mijn Borderterriër van al weer bijna 13 jaar, die onverstoord door het opgewonden gehup om hem heen, zit te wachten tot er weer aandacht voor hem, ‘the grand old man’, is. ‘Ik kom net van puppytraining, maar opvoeden is eigenlijk heel eenvoudig’, bekent overbuurman me. ‘Je moet gewoon slecht gedrag negeren en goed gedrag uitbundig prijzen. Ik wou dat ik dat had geweten voordat ik kinderen had gekregen.’

Een week later staat tot mijn blijde verrassing de tomaatrode Vespa van een andere buurman niet zoals gewoonlijk midden op het trottoir, maar strak tegen zijn huis aan geparkeerd. Ik herinner me de leerervaring van mijn buurman en vind een passende reclamekaart van een buurtsupermarkt ‘You are eggcellent.’ Uitbundig bedank ik de eigenaar voor zijn fantastische parkeren en bevestig de kaart op de blinkende scooter.

En weet je wat? Het werkt!

De oversteek

Vanaf de overkant van de drukke Haarlemmerweg zie ik een man in een aftands rolstoeltje pogingen doen de weg over te steken. Het stoplicht gaat op groen, maar verder dan een meter komt hij niet. De rolstoel is te aftands, zijn armen hebben geen kracht en hij kan nauwelijks het historische karretje voortbewegen. Berustend duwt hij zich met een voet weer terug naar zijn beginpositie.

Ondertussen heb ik vanaf de andere kant wel het groene licht gehaald en zet mijn fiets tegen een lantaarnpaal. ‘Mag ik je helpen oversteken?’ Zijn hoofd hangt naar rechts op zijn schouder en zijn ogen kijken mij vanonder zijn gebreide muts niet begrijpend aan. Ik probeer het nog een keer, nu in het Engels. Hij mompelt wat door zijn vuile baard heen en ik ga er vanuit dat hij er welwillend tegenover staat.

Bij het eerste groene licht duw ik het bijna uit elkaar vallende vehikel over de zebra de stoep op. Dan begint hij te kreunen en met Ierse tongval zegt hij iets dat ik niet versta maar wel begrijp. Ik moet stoppen. Tegelijkertijd wenkt een politieman mij vanuit zijn auto dat ik op moet passen. Ik loop om de kar heen en zie dat we over zijn verlamde rechterbeen zijn gereden doordat zijn voet van de steun is afgegleden. Hij kreunt en voorzichtig plaats ik de voet, gelukkig beschermd door een oude maar stevige schoen, weer terug. Hij trekt aan zijn linker broekspijp en manoeuvreert zo de betere voet op de lamme voet om te voorkomen dat het weer gebeurt. Verdere hulp wil hij niet. Hij gaat weer verder, richting Westerpark. De politieauto passeert me, de agent steekt zijn duim omhoog.

Ontmoeting

De jonge vrouw zat op een kleedje, uitgespreid midden op het fietspad. Ze steunde op haar knieën en ellebogen, het lange haar viel als een gordijn over haar naar beneden hangend hoofd. Langzaam en ritmisch bewoog ze heen en weer. Eerst dacht mijn vriendin dat ze aan het bidden was, naar Allah of God maar ze droeg hoofddoek noch rok, wat je zou verwachten van een godsdienstig meisje in de bible belt. Ze zat opgesloten in een bel van eenzaamheid en verlatenheid.

‘Heb je hulp nodig? Kan ik iets voor je doen?” Eerst leek het of ze mijn vriendin niet hoorde, zo zat ze in haar eigen wereld, maar uiteindelijk schudde ze haar hoofd, haar haren golfden mee met de beweging. Hond besloot te helpen. Hij ging recht voor de vrouw zitten, duwde zijn snoet in het haar en begon het zachtjes te besnuffelen. Ze kwam langzaam uit haar trance en richtte zich op.

‘Heb je iets nodig? Kan ik je helpen?’ Ze gaf antwoord op een vraag die niet gesteld werd: ‘Ik ben al 33’. ‘Waar woon je?‘ Ze wees richting het dorp. ‘Ik woon met mijn ouders en mijn broertje. Ze zijn heel lief. Ik ga vaak met mijn vader naar het dorp. Ik kan niets. Ik ben al 33’.
Net als Hond besloot mijn vriendin niet los te laten. ‘Wat kan je wel? Ze keek haar lang en leeg aan. ‘Ik ben pastoraal werker, maar ik ben er niet goed in. Ik ben al 33. Maar mijn vader is heel lief.’ ‘Wat zou je wel graag willen kunnen?’ en nu kwam haar antwoord verbazingwekkend snel. ‘Ik hou van taarten bakken. Het geeft zo’n lekkere geur.’ Aangemoedigd door haar woorden stelde mijn vriendin een vraag waar veel mensen geen antwoord op weten. ‘Wanneer zou je je gelukkig voelen?’ ‘Als de mensen mijn taarten eten. Ik ben al 33.’

Haar hoofd zakte naar beneden en ze nam haar oude positie weer in. Ze was niet meer bereikbaar.

Zien

Eindelijk heeft mijn man de beslissing genomen een ooglidcorrectie te ondergaan. Al jaren kijkt hij met steeds meer moeite onder de langer wordende luikjes door. Vrijdag was d-day en binnen een uur was hij in en uit de kliniek. Appeltje, eitje.

Thuis krijgt de patiënt twee zakjes bevroren extra fijne doperwtjes op zijn ogen, een paracetamol in zijn mond en een kop thee in zijn hand. Terwijl hij rustig bijkomt, zeg ik dat ik even mijn nieuwe bril ga ophalen. Ik ben wat onzeker want het montuur verschilt enorm van het oude, maar in de winkel bevestigt de opticien me nogmaals mijn keus.

Tijdens het extra lekkere avondeten (je moet een zieke een beetje verwennen, nietwaar) zitten we tegenover elkaar. ‘Nou, dat viel reuze mee’, zegt hij. ‘En ik kan prima zien, heb ook nog helemaal geen bloeduitstorting.’ En perfectionist als hij is, vraagt hij of ik mijn placemat iets kan verschuiven. Ik lach ‘m toe. ‘Ja, je kan heel goed zien. Niets mis met je ogen!’ Wat later maakt hij me erop attent dat een knoopje van mijn bloes openstaat. En, gniffelend in mezelf, kijk ik hem strak aan en zeg weer ‘Er ontgaat je niets, je ziet hartstikke goed.’

De volgende dag herenigt de familie zich op de begrafenis van mijn tante. Het is een mooi afscheid van een tanige 93-jarige vrouw. Maar van mijn broers, schoonzus of kennissen geen reactie op mijn nieuwe uiterlijk. ’s Avonds face-time ik met mijn dochter in het buitenland om verslag te doen. Weer geen reactie! Ik herinner me dat lang geleden mijn broer, na veel kritiek, eindelijk zijn baard had afgeschoren. Toen hij op een dag met een fris geschoren kaak binnen kwam, zei niemand iets en hij werd woest. Hij dacht dat we dit met elkaar hadden afgesproken, maar het was ons echt niet opgevallen!

We zijn nu bijna drie dagen verder. Het kan natuurlijk dat iedereen de bril heel lelijk vindt en het me niet durft te zeggen. Of de bril past zo bij me, dat het niet opvalt. Of we zien alleen wat we denken te zien. Vanavond komt mijn zeer visueel ingestelde dochter thuis eten. Als het iemand zal opvallen, is zij het. Ik ben benieuwd.

P.s.: En wat zijn haar eerste woorden bij binnenkomst? ‘He mam, leuke bril!’ ☺