Plein 40-45

Voor het eerst ga ik naar Plein 40-45 waar de mobiele wagen staat voor het tweejaarlijks onderzoek naar borstkanker. Jammer genoeg heeft het Westerpark geen plaats meer (!) voor deze SRV-bus met 3 kleedkamertjes en een röntgenapparaat. Ik ga er met gemengde gevoelens naar toe. Het is fantastisch dat de overheid zo goed voor haar vrouwelijke onderdanen van boven de 50 zorgt, maar ik kijk niet uit naar het onderzoek dat een combinatie is van je pijnlijk voelen en pijn voelen.

De lieftallige medewerkster zet me tegen het glanzend witte apparaat aan en trekt met een brute kracht die ik niet achter haar had gezocht aan mijn rechter b-cupje en perst het tussen de twee platen in. Ik voel me als gehakt in een tartaarpers. ‘Even niet ademen mevrouw.’ Nog drie foto’s lichte marteling volgen en ik kan me weer aankleden. Op de deur van mijn kleedkamertje hangt een plaatje van de Mona Lisa. Ze glimlacht spottend naar me.

Daarna struin ik, met gekneusde borsten, nog even rond op de weekmarkt van Plein 40-45. Het lijkt alsof ik in het buitenland ben. Een oudere man met een groezelige fez op zijn hoofd zamelt geld in voor de restauratie van een moskee. Hij heeft de tijd en maakt een praatje met andere mannen. Bij de groentestal liggen glanzende sinaasappels met een doorsnee van wel 15 cm als een piramide opgestapeld. De buurman prijst kleurrijke hoofddoeken en djellaba’s met borduurversiersels aan. Ik kijk om me heen en zie de vrouwen, gehuld in en beschermd door hun lange kleding, inkopen doen. Ik vraag me af, als ik me al zo kwetsbaar voel bij zo’n borstonderzoek, hoe ervaren zij dat dan? Ik ben nog niet dapper genoeg het gewoon te vragen. Ik ga met een kilo sinaasappels naar huis, de djellaba laat ik hangen.

 

Fifty-fit

Druipnat wacht ik met een aantal andere vrouwen in de gang. We zijn net onder de gezamenlijke douche uitgekomen waar ik, zelfs zonder lenzen, het verval van de lichamen kan zien van de over 50 jarigen.  Geen oogstrelend gezicht.  Ik kijk voorzichtig naar mezelf.  Zie ik er ook zo uit? Voordat ik eerlijk antwoord kan geven, gaat de deur open en lopen we naar het verwarmde zwembad voor onze fifty-fit les.

Het licht is getemperd (waarschijnlijk ben ik niet de enige die van ons uiterlijk schrikt) en een tanige vrouw in zwart lycra pakje begint ons -aan de kant- in het snelle ritme van de muziek de oefeningen voor te doen. Iedereen doet enthousiast mee. We ploeteren in marstempo door het bad, zwaaien met schuimgewichten door het water, zwemmen naar links, zwemmen naar rechts, laten ons vallen en komen weer naar boven. Luctor et emergo! Tussen de bedrijven door observeer ik mijn lotgenoten. In de Jordaan kom ik steeds minder vaak ‘oorspronkelijke bewoners’ tegen, maar het lijkt of ze hier allemaal bij elkaar gekomen zijn. Rondborstige, stevige vrouwen die geen blad voor de mond nemen. Een vrouw heeft een olifantje op haar arm getatoeëerd. Als ik haar het bad uit zie gaan, begrijp ik waarom.

Na een uur zijn we weer in de kleedkamer. Een vrouw met een buikverkleining vertelt dat haar relatie met een asielzoeker net op de klippen is gelopen. Hij heeft haar verlaten. Nu gaat ze volgende week op vakantie naar Ghana en neemt een koffer vol boeken mee. Ik vraag haar wat ze graag leest, verwacht de Bouquetreeks, maar ze zegt ‘toch wel litteratuur’. Haar laatste boek was ‘In koelen bloede’ van Truman Capote. In mijn hoofd bestraf ik mezelf op mijn vooringenomenheid. We nemen afscheid en zeggen ‘tot de volgende keer’. De dag erna word ik wakker met een stuk minder gespannen schouders en zin om te schrijven. Fifty-fit al na één keer!

 

Koning Hond

Sam moest hoognodig naar de kapper. Al tien jaar was hij door dezelfde dame geplukt, maar zij had besloten met pensioen te gaan. Dus op naar een nieuw adres.

Op het uithangbord van het hoekpand stond in elegante schrijfletters ‘trimsalon en pedicure’. De ruiten waren beplakt met foto’s van allerlei rassen ‘voor en na’ de behandeling: een koningspoedel met een prachtige haarpompon op zijn hoofd, een naakte chiwawa met een flosje haar, een King Charles met zachtgolvende oren. Ik keek naar mijn stoere Border Terrier en vroeg me af of we wel aan het juiste adres waren. Het onzekere gevoel werd bij binnenkomst niet weggenomen. Aan de wand hing een collectie kleding waar Maison de Bonneterie jaloers op zou zijn geweest: een betoverende zalmroze avondjurk, een oranje-gele cocktaildress en een Schots plooirokje met fluwelen gilet. Een macho man met woeste baard, totaal niet passend in deze omgeving, nam Sam van me over, die me onzeker over zijn schouder nakeek. Ik mocht over drie uur terugkomen. Exact op de afgesproken tijd was ik er weer. Sam stond op een hoge tafel, een gigantische berg haar lag op de grond. Achter voerde een hoge stem fel een telefoongesprek, afgewisseld met lachlawines. Enrico, Sams kapper, was nog niet klaar. Er moest nog gewassen en geföhnd worden.

Enrico bleek uit Venetië te komen, maar voelde zich zeer thuis in het Venetië van het Noorden. Zijn vader had hem graag als gondelier gezien, maar hij besloot hondentrimmer te worden. In plaats van in een gondel voer hij nu in zijn opduwertje het hele jaar door de grachten.

Inmiddels werd Sam in een enorm bad op hoge poten gewassen, in de crèmespoeling gezet en geolied. Een grote föhn droogde zijn vacht en als finishing touch werden de haartjes tussen zijn tenen weggeknipt. Ondertussen bleek het telefoongesprek en gelach uit een grote kooi te komen waar een groene papegaai zichzelf amuseerde.

Sam zag er, na de behandeling van vier uur, drie jaar jonger uit. Jammer dat Enrico geen mensen knipt.

 

Snelle Jelle

Het is zondagmiddag en ik sta in een drukke Albert Heijn. Terwijl ik zoek naar diepvriescapucijners (die er niet zijn), schiet een lange, slanke jongen van een jaar of 16 me aan. Hij draagt een druipend nat regenpak. Hij aarzelt, kijkt even naar boven terwijl hij zijn woorden zoekt. ‘Mevrouw, mag ik iets vragen?’ Ik knik ‘m toe, hij ziet eruit alsof je ’m een handdoek wilt geven en dan lekker bij de verwarming wilt laten opdrogen. ‘Ik heb een heel eind gefietst en ik heb nou zo’n honger, maar ik heb geen geld bij me. Heeft u misschien een euro zodat ik een broodje kan kopen?’ Ik kijk ‘m nog een keer aan en besluit dat hij a) geen zwerver b) geen verslaafde c) geen bedrieger is. Wel heeft hij prachtige ogen, amandelvormig met een bronzen gloed. Hij haalt een pakje met twee worstenbroodjes en, op mijn aandringen, ook wat te drinken. Een chocoladereep of energybar slaat hij af. Dat hoeft echt niet. Natuurlijk ben ik nieuwsgierig. Wat voor verhaal steekt hierachter? Moeilijkheden thuis of ruzie met een vriend of zijn vriendinnetje? Problemen op school? Niets van dat alles. Hij woont in Sassenheim en moest zijn oma, ook in Sassenheim, een sleutel terugbrengen. Hij had nog wat vrienden gebeld of die zin hadden in een stukje fietsen, maar die wisten wel wat beters te doen met dit slechte weer. Toen ging hij maar in zijn eentje. Voor hij het wist was hij twee uur later in Amsterdam …… hongerig. Zijn vuurrode, koude handen met afgebeten nagels namen dankbaar de lunch aan. Bij het naar buiten lopen zag ik hem het pakketje onder de snelbinders binden van een zware, degelijke herenfiets. Gelukkig heeft hij wind mee op de weg terug.

Duna

Het was een belangrijke dag voor Duna. Ze zou binnenkort naar de peuterspeelzaal gaan en dan was ze toch eigenlijk te groot voor een speen. Een passende ceremonie begeleidde het belangrijke moment van afscheid. Het hele gezin, pappa, mamma, zus en Duna stonden op de brug over de gracht. De speen met ‘I love mama’ was vastgebonden aan het staartje van een knalrode ballon, die vrolijk knipoogde in het avondzonlicht. Duna zei dapper ‘dag speen, ik word nu groot, jij moet nu weg en duwde de ballon met bemanning kordaat over de reling. De plechtigheid werd thuis afgesloten met haar lievelingspizza.

Die avond was het moeilijk slapen. Het werd 8, 9, 10, 11, 12, 1 uur. Ze riep, huilde, krijste en alle knuffels, zelfs haar lievelingskonijn, werden woedend uit bed gegooid. Uiteindelijk viel ze om 2 uur uitgeput in slaap. Tot 4.30 uur. .. waarna de orkaan opnieuw opstak.

Om haar een beetje af te leiden gingen moeder en dochter de volgende dag op fiets en loopfiets naar Artis. Twee wit weggetrokken gezichten keken uitgeput naar de beweeglijke apen, die opgewonden conversaties met elkaar voerden. Het bezoek leek een goed idee te zijn geweest. Maar op het moment van vertrek wierp Duna zich op de grond. Ergens in haar tenen had ze nog wat energie gevonden. Met grote uithalen krijste ze ‘Ik wil niet op de loopfiets. Ik wil niet opstaan. Ik wil mijn SPEEN!!! Ouders met voorbeeldige kinderen liepen afkeurend kijkend langs hen heen. Haar moeder werd steeds wanhopiger. Ze reageerde streng, ‘NEEE’, lief, ‘NEEE’, overtuigend, ‘NEEE’, dwingend, ‘NEEE’, chanterend, ‘NEEE’, woedend, ‘NEEE’! Duna was niet meer te bereiken. Ze stampte, schokte en stompte. De wanhoop stroomde over haar gezicht, haar lichaampje stond strak als een overrijpe kiwi.

Toen ze eindelijk thuis waren, viel Duna uitgeput op de bank in slaap. Bij mijn binnenkomst zei mijn vriendin beschaamd tegen me ‘Ik moest echt mijn handen in mijn jaszak houden om haar niet te slaan. Maar ik begrijp het wel. Het is gewoon haar eerste verslaving. Had je mij moeten zien toen ik stopte met roken.’

 

 

2 januari

Ik fiets over de gracht en zie het ene stoffelijk overschot na het andere liggen, achteloos aan de kant gegooid. Afgedankt, niet meer nodig. Naakte ledematen steken krampachtig uit alsof ze nog even aan het leven vast willen houden. Een versiering die niet los te krijgen was, bengelt zachtjes in de wind.

Nog geen maand geleden kregen ze onze volle aandacht nadat ze er wel acht jaar over hadden gedaan om bij ons te komen. Er werd gewikt en gewogen op lengte, omvang, geur en kleur. En als de keuze dan eindelijk gemaakt was, werden ze vrolijk mee naar huis genomen en met volle aandacht aangekleed. Uitbundig in alle kleuren van de regenboog of sereen in maagdelijk wit. Ze stonden in het licht en gaven ons warmte en gezelligheid.

En nu op 2 januari zijn ze plotsklaps, met zijn allen, afgedankt. Ze hebben hun taak volbracht. Ze liggen op straat om als grof vuil opgehaald te worden. En onze goede voornemens? Liggen die aan het eind van de maand hier ook zo afgedankt bij?  Boft de schoonmaakploeg dan eens even.

 

 

Joop II

Ik heb Joop weer gezien. Met mijn hond, nog steeds in elkaar duikend en oortjes plat bij het horen van een verlaat rotje, trok ik op 1 januari het druilerige park in. Joop liep met een stok voetje voor voetje over het geasfalteerde pad. Zijn eens zo rode volle gezicht was bleek en ingevallen. Hij maakte een fragiele indruk, maar zijn Jordanese spirit was onverslagen. Ook Max, zijn herder, had in de afgelopen maanden grijze haren rond zijn snoet gekregen.

Zeer plastisch vertelde Joop me over zijn knieoperatie, die hij onder verdoving van een lies- en ruggenmergprik (‘brandde joh!’) had ondergaan. Ze hadden hem als ‘een krimmeneel’ vastgebonden op het bed. Vervolgens was er een schotje over zijn buik gezet, zodat hij niets kon zien maar wel alles kon horen. Overtuigend deed hij de snerpende, kloppende en hakkende geluiden na van een slijptol, hamer en beitel om mij duidelijk te maken hoe de operatie in zijn werk was gegaan. Tijdens het oorverdovende lawaai had hij nog wel aan de dokter bevestiging gevraagd dat het gebruikte gereedschap geen uitverkoopje van de Gamma was.

De volgende dag al kreeg hij zijn eerste fysiotherapie. ‘Komt er zo’n jochie de kamer binnen, mooi pakkie aan, telefoontje aan zijn oor en maar babbelen, druk, druk, druk. Ik waarschuwde ‘m nog dat hij m’n been niet mocht laten vallen, en wat doet ie? Heb ‘m direct de kamer uitgezet.‘ De aanwezige verpleegster was zichtbaar tevreden dat de jongeman op goed Jordanese manier de oren was gewassen.

Eenmaal thuis zorgt de buurt goed voor Joop. De koelkast is gevuld en er is een Whatsapp groep ‘Joops uitlaatservice’ gemaakt voor Max. Dagelijks zorgt zijn buurmeisje voor de fysio. 9 Februari wordt de andere knie onder handen genomen. Ik hou jullie op de hoogte.

 

 

Belofte

Het is nog zulk lekker weer dat ik buiten koffie kan drinken op een van de vele terrasjes die Amsterdam rijk is. Ik ben de enige klant, maar zie uit een ooghoek een meneer aankomen. Hij loopt wat onzeker, stopt even en kijkt aandachtig naar de deur van het café die geflankeerd wordt door twee kleine, ietwat armetierige olijfboompjes in zwarte potten. Dan besluit hij toch door te lopen. Ik neem een slokje van mijn koffie en zie hem verderop dralen, stil staan en weer terugkomen. Het is een magere man van rond de 60. Grijze piekharen vallen een beetje vettig langs zijn schrale gezicht dat verwarmd wordt door zijn bruine, hangende hondenogen. Zijn corduroybroek is aangesjord met een riem, een vervaalde donkergroene lamswollen trui erover heen.  Met zijn rechterhand omklemt hij een busje. Dan staat hij weer stil voor het terras en besluit na wat wikken en wegen toch plaats te nemen aan een tafeltje buiten, vlakbij de deur. Hij zet het busje voor zich en zijn bevende hand streelt het af en toe. Het valt me op dat hij zacht voor zichzelf uitpraat.

Ik lees verder in mijn boek en geniet van mijn cappuccino waar de barman met overgave een bloemetje met een hartje in heeft gemaakt. Ook de man is nu koffie aan het drinken. Vol aandacht, zodat hij geen korreltje mist, strooit hij het zakje suiker in zijn kopje en kijkt dan schichtig over zijn schouder naar binnen. De barman is even weggelopen en het lijkt binnen leeg. Op dat moment staat de man op, pakt het busje en draait het deksel ervan af. Hij scharrelt naar het olijfboompje dicht bij zijn tafel en schudt het busje voorzichtig boven de aarde uit. Dan loopt hij naar het andere boompje en doet daar hetzelfde. Ik doe alsof ik lees maar hou hem gebiologeerd in de gaten. Wat is hij in vredesnaam aan het doen? Blijkbaar denkt de barman dat ook want die komt onverwacht naar buiten en vraagt de man of hij misschien iets kwijt is geraakt. Het vale gezicht van de man wordt rood, hij hakkelt ‘Sorry, maar ik wist niet hoe ik het anders moest oplossen’, en begint te huilen. De barman, net zo geïntrigeerd als ik, gaat naast hem zitten en vraagt hem wat het probleem dan is. Met zachte stem vertelt de man zijn verhaal. Ik doe moeite om mee te luisteren en hoor ‘Mijn broer is een half jaar geleden overleden aan kanker. Zijn grootste wens was om een keer naar Italië te reizen. Hij las alles wat los en vast te vinden was over het land en keek naar alle Italiaanse films. Hij vroeg mij op zijn sterfbed of ik dan in ieder geval zijn as kon verstrooien in een olijfboomgaard in de Toscane. Ik heb hem dat beloofd. Natuurlijk, wat kon ik anders? Maar ik heb geen rode cent. Vaak weet ik niet hoe ik aan geld moet komen om te eten. Hoe kan ik dan naar Italië gaan? Dus toen dacht ik: er staan bij dit terras twee olijfboompjes en dat komt het dichtste in de buurt van zijn wens. Als je wilt zal ik het er wel weer uithalen’.

Met een trillende hand pakt hij zijn zakdoek uit zijn broekzak, snuit met veel geluid zijn verdriet erin en loopt weg, ons sprakeloos achterlatend.

Joop

Op mijn dagelijkse wandeling met hond Sam hoor ik mijn naam roepen: ‘Yolanda, ik heb ‘m gevonden hoor’. Ik draai me om en zie de man in oranje all weatherpak enthousiast naar me gebaren. Ludo is gemeentereiniger en houdt ‘zijn’ Westerpark geroutineerd schoon. Als hij je aardig vindt neemt hij de tijd voor een praatje over politiek, kunst of Amsterdam en geeft je soms bij afscheid een rol poepzakjes mee.

Ik had hem onlangs gevraagd of hij Joop nog wel eens had gezien. Ik was de bejaarde Jordanees en zijn trouwe hond al weken niet meer tegen gekomen. Dat was vreemd want Joop zie ik, weer of geen weer, de laatste tien jaar vrijwel iedere ochtend. Hij wandelt of fietst met zijn lichtvoetige herder Max naast hem in een rustig maar aanhoudend tempo helemaal naar Halfweg en terug. In zijn hand een enorme zak met brood, speciaal voor de vogels gekocht en vooraf thuis in keurig gelijkmatige blokjes gesneden. Je hoeft geen detective te zijn om te weten of Joop al in het park is, wanneer Sam daar binnen tien seconden zijn tweede ontbijt naar binnen schrokt.

In al die jaren ben ik gehecht geraakt aan Joop. Hij vergast me op mooie verhalen over zijn leven en is oprecht verbaasd als er dure medische ingrepen op hem, eenvoudige Jordanese jongen, worden uitgevoerd. ‘Ik ben een miljon euri man’ vertelde hij me eens, kloppend op zijn borst. ‘Ik heb een kassie gekregen voor me hart. Duur joh.’ Bij onze eerste ontmoeting had hij me langs zijn neus weg verteld dat hij dat weekend een lijk had gevonden. Het was alweer het derde in zijn leven. Hij had een afrekening gezien terwijl hij de kartbaan ’s nachts bewaakte. Een ander lijk, of deel daarvan, had hij in een half drijvende koffer in de Bloemgracht ontdekt. Aangeboden psychische hulp had hij met een schouderophalen afgewezen. Nergens voor nodig.

Van de zomer besloot ik Joop hoofdpersoon te maken in een verhaal. Een deel van zijn leven had ik feitelijk overgenomen – zijn slimme hond Max, de pacemaker, de koffer met het lijk – en er verder een boel om heen gefantaseerd: zo had ik hem een hartaanval toegeschreven. Wat later realiseerde ik me dat ik de oude man al een tijd niet meer had gezien. Ik ging op verschillende tijden wandelen, maar ook dan was hij niet te vinden. Met een al snel teleurgestelde Sam inspecteerde ik of er op de vaste plekken brood was gestrooid. Ik vroeg andere wandelaars naar de stoere zeventiger, herkenbaar aan zijn hogebloeddruk-rode gezicht, korte witte baard en kordate o-benige loop, kortom type Kapitein Iglo. Maar alles zonder resultaat. Een beklemmende gedachte kwam in me op. Ik herinnerde me vaag iets over voodoo rituelen, waar met naalden in een pop de gerelateerde persoon pijn, ziekte of zelfs dood toebedacht wordt. Ik zou toch niet met mijn verhaal, zonder het te bedoelen …..?

Vorige week vroeg ik Ludo weer eens naar Joop en vanochtend kwam hij met nieuws over de verdwenen man. Joop blijkt letterlijk uit de running door operaties aan beide knieën. En over knieën had ik niets geschreven… Zijn enorme wandelingen zijn voorlopig beperkt tot het Frederik Hendrikplantsoen. Morgen ga ik een andere buurt verkennen!

Sinterklaas

Een brug vol klein grut staat opgewonden te wachten. Ze hebben hun mooiste kleren aangedaan om hun belangrijke gasten, Sinterklaas en de Pieten, te ontvangen. Er staan Pietjes en prinsesje, Sintjes en supermans. Op hun hoofden dragen ze ingekleurde mijtertjes met hun naam erop, zodat Sint, -oh hij wist mijn naam!-, hen direct bij hun voornaam kan aanspreken. Koortsachtige rode konen sieren hun gezichtjes. Uit volle borst zingen ze mee met de oude en nieuwe liedjes die uit de ramen schallen bij een overbuurvrouw van school.

De direct omliggende straten zijn voor de gelegenheid door de welwillende politie afgezet. Ouders die wat te laat zijn, rennen met hun kleintjes aan de hand naar de brug. Ze hebben ook een rood hoofd, maar dat heeft een andere reden. Een uit de kluiten gewassen vader komt huppelend met zijn kleuter aan. Bij hem geen schuldgevoel of ademnood. Wellicht was hij wel op tijd, maar wilde zijn zoontje liever even verderop wachten omdat hij een beetje bang was.

De spanning op de brug loopt op wanneer de kinderen uit de verte het elegante bootje zien aankomen. De Goedheiligman staat voorop de plecht, zijn staf stevig in zijn ene hand, terwijl hij met de andere hand pauselijk bedaard zwaait. Zijn andere staf, een zestal Pieten, dartelt, danst, grimast en gooit pepernoten. De schipper verhoogt de opwinding door nog een ererondje te varen voordat hij aanmeert. De Hoofdpiet helpt Sint voorzichtig de steiger op, waar de schooldirectrice hem verguld de hand schudt. ‘Wat heerlijk Sinterklaas, dat u ook dit jaar ons met een bezoek vereert’. De kinderen joelen als de Pieten, schoorsteenzwart, mokkabruin en lattewit, de pepernoten gooien. De meeuwen zeilen door de lucht en weten precies op tijd het snoepgoed van de straat te pikken voordat het vertrapt wordt. Het voorname gezelschap beweegt zich langzaam voort over de brug. De ouders kijken haast nog blijer dan hun kinderen, toeristen maken verbaasd foto’s van het voor hun onbekende tafereel. Wat een feest!

foto

Ik word wat melancholiek. Zouden mijn toekomstige kleinkinderen nog Sinterklaas vieren? Dit jaar zie ik al minder Sint en Piet op straat. De meeste etalages zijn na Sint Maarten meteen in Kerstsfeer opgetuigd. Is dit omdat het praktischer is of wil men de discussie vermijden? Natuurlijk kan het uiterlijk van de Pieten aangepast worden (zolang gifgroen maar vermeden wordt). Er is geen reden om mensen –ook onbedoeld- te kwetsen. Maar dit feest is zo bijzonder. Het magische sprookje voor de kleintjes waar ze zelf een rol in spelen. Waar ze leren dat het niet alleen om krijgen gaat maar ook om geven, een tekening, een brief of een wortel voor het paard. En als ze ouder worden tijd en aandacht besteden aan surprises en puntige gedichten. Sinterklaas heeft zoveel meer inhoud en statuur dan die ho-ho-ho Kerstman. Laat we proberen deze mooie traditie, met aanpassingen, in ere te houden. Dan kan ik mijn nageslacht nog met spanning in hun stem horen zingen: ‘Hoor, wie klopt daar kinderen’.