Naar de dokter

Het valt me op dat Sam de laatste dagen minder enthousiast is tijdens de wandeling. Hij loopt vaak achter me in plaats van voor, snuffelt eindeloos, vergeet steeds zijn bal- die normaal vergroeid is met zijn bek- en eet gras en jonge blaadjes. Hij houdt zijn geliefde ‘jij gooit de bal -ik ren erachteraan’ spelletje sneller voor gezien. Hij kwispelt wel en lijkt niet ziek, maar toch. Ik vertrouw het niet. Een half jaar geleden had hij dezelfde kenmerken en kotste na een braakmiddel een hele dennenappel uit. Ik bel de dierenarts en vertel dat Sam wellicht iets in zijn maag heeft dat niet verteert. We maken een afspraak voor dezelfde middag. Ondertussen ligt Sam –in zalige onwetendheid- te snurken op zijn kussen. Hij is niet dol op de dierenarts, maar laat zich altijd gelaten behandelen.

De dierenarts, jonge dertiger, leuke ogen en hipsterbaardje, lacht wanneer hij Sam herkent. De vorige keer heeft hij de kleine macho mogen oplappen na een vechtpartijtje met een enorme zwarte hond. Uit gewoonte loopt mijn viervoeter rechtstreeks naar de weegschaal en gaat erop zitten. Jong geleerd, oud gedaan. Hij kijkt ons berustend aan, oortjes hangend op halfzes. De schaal is onverbiddelijk: 12,2 kg. Te zwaar! Voor de zekerheid wordt hij nog onderzocht, maar eigenlijk is het oordeel al geveld: minstens een kilo afvallen! Meer bewegen, minder lekkers. Ik voel eens aan mijn broek. Zit ook een beetje strak. Ik zucht en besluit dat het advies dan maar voor ons allebei moet gelden. Sam geen kaas, ik geen chocola.

 

Proeven of slobberen, that’s the question

Als laatste kom ik de wijnhandel aan het Amstelveld binnen rennen voor mijn cursus wijnproeven. Al jaren slobber ik wijn, maar raak altijd lichtelijk in paniek als mijn man er niet is en ik een wijn moet kiezen bij het eten. Waar moet ik naar kijken? Vaak volg ik het bekende pad en ga voor Chardonnay. Nu hoor ik tijdens de les dat je in New York tegenwoordig wijn bestelt met ‘ABC’ oftewel ‘Anything but Chardonnay’. Het was al duidelijk, maar deze opmerking bevestigt het. Ik moet mijn kennis vergroten.

Aan de lange houten tafel zitten zes dertigers en vier 50-plussers. Onze vinologe, een vlot slank meisje, heeft moleculaire biologie gestudeerd. Maar, verzot op wijn heeft ze van haar hobby haar vak gemaakt. ‘Laten we maar ’s beginnen met jullie neus te testen’ zegt ze vrolijk en geeft ons tien piepkleine flesjes. We snuffelen, trekken diepe rimpels in ons voorhoofd en af en toe roept iemand opgetogen ‘Oh ja’. Ondertussen horen we dat vrouwen beter ruiken dan mannen, behalve wanneer ze geplaagd worden door hormonale periodes. Ook scoren jonge mensen hoger dan ouderen. Dat blijkt dan ook wel, de jonge dertigers herkennen groene paprika, leer en boter. Ik kom niet verder dan banaan en rode bes. Wat een teleurstelling voor iemand die dacht een goede neus te hebben. De volgende deceptie volgt al snel. Ik zit in het hokje ongeoefende drinkers, die geen correlatie ontdekken tussen smaak en prijs. Maar dat gaat vanaf vanavond veranderen!

Al in een avond leer ik kleur bepalen, wals ik mijn wijn op ¾ maat door het glas en duw mijn hele neus in het glas op zoek naar stal, vegetaal, steenfruit, bloemen of zuivel. Een nieuwe vocabulaire met veel verkleinwoorden wordt aan mijn woordenschat toegevoegd zoals ‘een zuurtje, een zoetje en snoepig.’

We proeven Sauvignon (strak), Chardonnay (vet), Viognier (geparfumeerd), Pinot noir (voor gevorderden), Merlot (allemansvriend) en Cabernet Sauvignon (stevig) en horen welke spijzen de godendranken intensiveren. Ieder slokje houden we zo’n vier seconden in onze mond om de wijn volledig tot zijn recht te laten komen. En verdomd het werkt. Ik begin bewuster -en langzamer- te drinken. En dat scheelt ook weer!

 

Nachtbraakster

(verhaaltje n.a.v. een kort krantenberichtje in het Parool)

Margje werd wakker van een angstig gemiauw dat precies thuis hoorde in haar droom. Een straaltje lantaarnlicht piepte door de smalle kier van haar bloemengordijnen en verlichte haar kamer een beetje. Zacht riep ze ‘Mamma, mamma, Noortje is terug, ze wil naar binnen.’ Mamma hoorde niets. Ze klom uit haar bedje en dribbelde naar haar ouders slaapkamer. Twee heuveltjes bewogen zacht op en neer onder de dekens. Nog een keer riep ze maar haar ouders gaven geen sjoege. Margje rimpelde haar neus, iets wat ze altijd deed als ze diep nadacht. Er zat niets anders op, ze moest zelf Noortje gaan zoeken. Op haar roze prinsessenslofjes liep ze naar de voordeur, strekte zich uit zo ver ze kon en kon toen precies bij de deurhendel. Een korte ruk en de koude nachtlucht stroomde haar tegemoet.

De drie vrienden zaten goedgehumeurd bij elkaar in de auto. Ze hadden samen een gezellige avond in de buurtkroeg gehad waar ze met hulp van een paar biertjes de nieuwe barvrouw een beetje op stang hadden gejaagd en alle wereldproblemen bijna hadden opgelost. Om half drie besloten ze maar ’s op huis aan te gaan. Morgen was het weer vroeg dag. Arie was de Bob, niet dat hij helemaal niet had gedronken, maar toch beduidend minder dan zijn twee maten. Met een rustig gangetje reed hij langs de nieuwbouwwijk van Abcoude over de Meerlandenweg en ging voor de gein de rotonde een paar keer rond. Net de kermis. ‘Fuck, hou op Arie, anders gaan we nog kotsen in die rammelbak van je’. Arie besloot het rondje van de zaak voor gezien te houden en weer het rechte pad op te gaan. Maar net voor de tweede rotonde trapte de chauffeur opeens keihard op zijn remmen. De mannen schoten naar voren. ‘Godverdomme Arie, hou op met die grappen van je!’ Arie, lijkbleek, kon alleen maar wijzen: voor hen, midden op straat, in het licht van de koplampen, stond een klein blond meisje met een knuffel in haar hand. Haar roze nachtjapon bewoog zacht in de wind. Ze keek hen nieuwsgierig aan.

De drie mannen waren in een klap nuchter en probeerden hun gevoelens van angst en opluchting onder controle te krijgen. Arie wiste het zweet van zijn voorhoofd. Zijn ogen zochten het fotootje van zijn twee jongetjes, dat zijn vrouw op het dashboard had geplakt. ‘Hoe heet je, waar woon je prinses?’ probeerde Arie, maar het meisje gaf geen antwoord. Ze lachte en haar blauwe ogen keken de grote man vol verwachting aan. Arie verpakte het roze meisje in zijn donkerblauwe jack en zette haar in de auto, de verwarming hoog. Om haar gerust te stellen zetten hij een cd van Sesamstraat op. Dit meisje, dacht hij, is nog geen drie jaar oud. Wat is er gebeurd? En tegelijkertijd, goddank, is er niets gebeurd. Zijn vrienden kwamen naar hem toe. ‘Arie, we kunnen niets vinden. Er lopen geen mensen te zoeken en we zien nergens een deur of raam open staan. Laten we maar 112 bellen.’ Terwijl het meisje aandachtig luisterde naar Ernie, hoorde hij zijn vrienden bellen. ‘Klein blond meisje, jaar of 2. Nee, geen idee hoe ze heet, ze zegt niets. Nee, ze is niet bang, ze huilt ook niet. Ja goed, hoe snel zijn jullie er? 10 minuten? Ok, ja we wachten’.

Margje voelde zich langzaam warmer worden. Ze had al zo lang gezocht naar Noortje, ze was eerst in de tuin geweest en had door alle struiken gelopen. Daarna was ze de straat op gegaan tot ze bij het grote water kwam, maar nergens had ze meer gemiauw gehoord. Ze wist ook niet meer hoe ze naar huis moest komen. Misschien, dacht Margje slaperig, weet deze meneer wel waar Noortje is.

De vrienden zagen de witte politieauto met oranje en blauwe strepen al snel aankomen. Het kleine meisje keek de mensen in uniform even zorgeloos aan als de mannen ervoor. ‘We hebben nog geen vermissing binnen gekregen’, zei de agente. ‘We zullen er een burgernetactie van maken, wie weet komt daar wat uit.’ De agenten bedankten de vrienden en brachten het ondertussen in slaap gevallen meisje naar het AMC. De dokters bevestigden dat Noortje, want dan zei het meisje toen ze wakker werd, niets markeerde.

De volgende dag werden Kees en Marianne pas om 9 uur wakker. Verbaasd keken ze elkaar aan dat ze zo lang hadden uitgeslapen. Margje maakte hen normaal altijd klokslag half zeven wakker. Wat een heerlijk begin van de dag!

Tante Ida

Mijn tante Ida is een monument dat nu, iel mensje van nauwelijks 40 kilo, in haar leunstoel de pijn en de ouderdom van zich af probeert te slaan. Ze woont nog steeds in het huis waar haar ouders in 1928 naar toe verhuisden. De tijd heeft geen vat gehad op het interieur.

Ik herken familiekaraktertrekken, bij haar sterk aanwezig, bij mij al wat afgevlakt, maar toch vertrouwd. Een ijzeren wil om door te zetten -soms tegen beter weten in-, plichtsgetrouw, eigenwijs, vasthoudend aan bekende patronen en blijmoedig. Zo maakt ze haar bed zelf opnieuw op als de thuiszorg het ‘verkeerd’ heeft gedaan. Vorige week knielde ze op haar 93 jaar oude knieën om een theevlek uit het tapijt te boenen, zonder acht te slaan op de zenuwpijn in haar rechterhand en nooit meer geheelde linker elleboog. Ze is altijd dankbaar als er bezoek komt.

Drie weken geleden is een jongere broer van haar overleden. Het verdriet was een trigger om haar lichte vergeetachtigheid om te laten slaan in het begin van dementie. Tot voor kort kon ze gedetailleerd vertellen over de familiegeschiedenis. In het ouderwetse huis met erker woonden de ouders met acht eigen kinderen en drie in huis genomen jongens uit Nederlands Indië. Zo’n huishouden kon alleen functioneren wanneer iedereen meehielp. Zo waren er corvees opgesteld voor schoenen poetsen, aardappelen schillen, tafel dekken en afwassen. In haar verhalen neemt ze me mee naar de Sinterklaasavonden met vernuftige surprises en puntige gedichten. De angst die ze voelde toen ze een Duitser wijs maakte dat er echt geen mannen thuis waren, terwijl een van haar broers zich in de kelder verschool. En ze schiet vol wanneer ze vertelt dat ze vijftig jaar geleden als wijkverpleegster jonge ouders begeleidde toen ze hun dochtertje dood in de wieg hadden gevonden.

Mijn tante heeft honderden baby’s op de wereld gezet en haar liefste geur is een ‘verse’ baby. Maar ze heeft nooit de geur van een eigen kindje mogen ruiken. Als ik met haar erover praat, zegt ze dapper ‘ik heb zoveel kinderen.’ Deze week nog heeft de buitenschilder spontaan met haar een wandelingetje gemaakt. Ook hem had ze 56 jaar geleden op de wereld gezet.

Perspectief

Ik fiets over de gracht en zie een berg gebroken glas van bier- en wijnflessen. Een stille herinnering aan een koude Koningsdag. Ik slinger me er langs om geen lekke band te krijgen. Dan hoor ik achter me een opgewonden meisjesstemmetje: ‘kijk pappa, edelstenen, zomaar op straat!’

Westerkerk

Dit weekend fiets ik langs mijn geliefde Westerkerk waar het een drukte van belang is. Ik denk even in een begrafenis terecht te zijn gekomen. Buiten staat een glimmende verlengde Rolls Royce naast een fiets met een kist op een houten aanhanger. Op het deksel een sticker met ‘I loved Amsterdam’. Wordt wellicht de arme en rijke tak van de familie tegelijkertijd begraven? Er heerst echter een opvallend vrolijke sfeer en al snel blijkt dat de kerk geen onderdak biedt aan treurende familieleden, maar aan nieuwsgierigen die een gezellig bezoekje brengen aan de Uitvaartbeurs.

Binnen krijg ik van een kordate veertiger ongevraagd een papieren tas in de handen geduwd met alle voordelen om in Amstelveen begraven te worden. Nu ben ik adequaat toegerust om folders te gaan verzamelen! Ik begrijp al snel dat je je tegenwoordig niet meer kunt vertonen in een gewone doodskist. Hij moet toch op zijn minst biologisch afbreekbaar zijn, van binnen en buiten geborduurd of als sjoelbak kunnen fungeren. Gezellig afscheid nemen van opa in het café en een potje sjoelen op zijn kist voordat hij wordt opgehaald. Liever een urn? Dan kunnen de reizigers onder ons kiezen tussen een handtas, rolkoffertje of rugzak.

Een enthousiaste jongeman laat me een lange dikke stok zien. ‘Kijk’, zegt hij, ‘stel je voor. Je maakt een familiewandelingetje met deze staf in de hand en op ieder mooi plekje druk je zo de stok even in’ – ik denk bij zijn beweging aan een zoetjesdispenser- ‘en dan blijft er een rondje as op de grond liggen. Als Klein Duimpje laat je zo een spoor van je geliefde achter. Bovendien kan je de stok onder elkaar doorgeven, dan voelt iedereen zich erbij betrokken.’

Met een lach loop ik door, maar voel bij een volgende zachtroze- en blauwe stand een baksteen in mijn buik. Een begrafenisondernemer, gespecialiseerd in kinderuitvaarten regelt ludiek Mini’s als begrafenisauto’s. Ik moet er niet aan denken, dit komt te dichtbij.

Ik besluit te vertrekken, maar dan trekt een muisachtige vrouw uit de provincie aan mijn mouw. Ze is onderneemster en knutselt zo graag. En dan laat ze me trots haar ‘knoopje op een knoop’ sieraad zien. Iedere keer als een dierbare is overleden kan je een knoop van een kledingstuk van die persoon op haar grotere zwarte knoop vastmaken en als broche dragen. Multi-inzetbaar. Ook heeft ze sierspelden waar je een fotootje van de overledene in kan plaatsen. Dan is de familie die gecondoleerd moet worden tenminste herkenbaar in deze tijd van ‘wie is wie eigenlijk’.

Ik zoek mijn weg naar de uitgang, langs de zelf te beschrijven kaarsen, originele rouwkaarten en modern design thuisaltaartjes. De koffie en cake laat ik staan. Enough is enough.

 

 

 

Koningsdag 2016

De voorspellingen zijn slecht. Koud, regen en zelfs af en toe een hagelbui. Tijdens de opbouw van de podia, wc’s en stalletjes is de gewoonlijke vrolijkheid en grapjesmakerij ver te zoeken. Koningsavond begint met weinig mensen gehuld in veel warmte. De muziek wordt nog een tandje harder gezet om de paar feestvierders maar enthousiast te maken.

Op Koningsochtend kom ik terug uit het Westerpark en red het zelfs om fietsend thuis te komen, zo rustig is het nog op straat. Een wandelingetje met manlief door de buurt volgt. Het weer valt 100% mee. Op de Haarlemmerstraat- en dijk zien we voor het eerst om de 20 meter grote vuilnisbakken staan en studenten prikken vuil op. Op de Lekkeresluis over de Prinsengracht, normaal op Koningsdag een brug waar je 20 minuten over doet om naar de overkant te komen, staan twee mannen iedereen vriendelijk door te sturen die daar wil verkopen. De drukte laat het niet toe. Wie zegt dat er geen voortschrijdend inzicht is?  We ondersteunen de lokale kindergemeenschap die accordeon speelt, hondenkoekjes verkoopt en oranje limonade aanbiedt. En natuurlijk gaan we op de foto op een bewegende ‘Groene Draeck’ met Willem Alexander aan het roer. De kosten van het onderhoud moeten toch ergens van betaald worden!

De middag zit ik als bedaarde vijftiger thuis te werken. Drie verschillende muziekbands proberen tegelijkertijd mijn concentratie te breken. Buiten zie ik een Surinaams jongetje van een jaar of tien met zijn moeder spullen verkopen. Het kortgeschoren jochie draagt een groene regenjas, een groene broek en groene regenlaarzen. Zijn energie is tomeloos. Hij kan niet stilstaan, springt, kikkert en danst de hele tijd op de brug. Dan rent hij terug naar zijn verkoopkleedje, pakt een paar afgetrapte gympen en biedt ze met een stralende lach, al hip-hoppend aan iedere voorbijganger aan. Ieder nee incasseert hij met een grote grijns. Aan het eind van de dag kan ik geen spoortje moeheid bij hem ontdekken. Integendeel, de brug wordt leger en hij ziet nu kans radslagen te maken, te voetballen met een kartonnetje en op een babyauto te rijden.

De wolken pakken zich samen. Zijn moeder kijkt naar boven en verzamelt snel het niet verkochte speelgoed. En dan komt de stortbui naar beneden. Het jochie blijft dansen.

Plastic

Het is een mooie dag, de zon piept steeds regelmatiger door de grijze wolken. Ik sta in een ouderwets speelgoedwinkeltje dat je eigenlijk alleen nog maar in films ziet en zoek een verjaardagscadeau voor een ondeugend driejarig meisje. De eigenaresse van de winkel tovert enthousiast, alsof het voor haar zelf is, de mooiste dozen tevoorschijn en uiteindelijk kies ik voor een verzameling magnetische cirkels, driehoeken, staafjes en andere figuren waarmee je steeds nieuwe ontwerpen kunt maken op een metalen bord. Bij het afrekenen vraagt ze of ik een tasje wil. Ik ben al volledig potty-trained en tover mijn eigen tas tevoorschijn. Ze vertelt, terwijl ze me een stukje Tony Chocolony met zout aanbiedt, dat steeds minder mensen een tas vragen en dat zelfs na de markt, voor haar deur, er geen verloren witte tasjes meer rondvliegen in de wind. Ongelooflijk dat tien cent in korte tijd zo’n mentaliteitsverandering teweeg heeft gebracht.

Dan ga ik naar de overkant waar een winkel zit waar je zelf rijst, pasta, noten, meel, gedroogd fruit en nog honderd andere producten kunt scheppen uit grote bakken. Hier hebben ze al jaren geleden besloten dat al dat plastic verpakkingsmateriaal onzin is. Met mijn papieren zakjes onder mijn arm geklemd loop ik naar huis. Sasa, mijn steun en toeverlaat voor alles wat thuis kapot is, ziet de papieren zakjes en zegt me enthousiast dat in Roemenië –waar hij net op vakantie is geweest- veel winkels zijn waar je ook zelf je voorraden schept. Terwijl hij de verstopte gootsteen kordaat onder handen neemt moppert hij dat in zijn buurt continu vuilnis op straat wordt gegooid en zakken open liggen waar je het glas ziet schitteren tussen kranten, groenteafval en elektrische apparaten. Hij is vastbesloten dat zijn gezin milieubewust moet zijn en heeft net twee inbouwbakken voor gescheiden afval in zijn keuken getimmerd. Druppel op een gloeiende plaat? ‘Zeker’, zegt hij zijn handen afdrogend, ‘maar ik wil het goede voorbeeld geven.’

Aan het eind van de middag wordt een nieuwe, volledig uit natuurlijke materialen gemaakte, matras afgeleverd. De matras is niet verpakt in plastic maar zit genesteld in een enorme witte katoenen zak die met een koord is dicht gesnoerd. Ik denk nog even waar ik de zak allemaal voor zal kunnen gebruiken –Sinterklaas, dekens, winterkleding- maar dan vouwen de transporteurs hem al netjes op om te gebruiken voor het volgende transport. Ik zwaai ze uit en zie een sloepje voorbij varen waarop in grote letters staat dat deze gemaakt is uit gerecycled plastic.

’s Avonds lig ik als een prinses op geen erwt op mijn nieuwe matras en ik realiseer me dat ik op één dag zoveel initiatieven heb gezien die bijdragen aan een beter milieu. Deze gedachte en het vernieuwde bed zorgen voor een ontspannen slaap.

 

 

Taxi’s

Donderdagochtend, Wenen. Mijn vriendin en ik nemen een taxi naar Schönbrun, bekend als het paleis van Franz Joseph en Elizabeth, de suikerzoete Sisi, die overigens een minder goed huwelijk had met haar man dan hij met haar.

Zodra we in de auto zitten, belt onze taxichauffeur met zijn vriend, neef, vrouw, geen idee. Telefoon in de linkerhand, rechterhand losjes op het stuur, voet op het gaspedaal. Zijn stem wordt luider, het gesprek geagiteerder, het rijden sneller. Hij spreekt Arabisch en we verstaan er geen woord van. We kijken elkaar ietwat ongerust aan. Schönbrun blijkt, in tegenstelling tot wat we dachten, redelijk dichtbij te liggen. Terwijl we betalen en uitstappen, continueert hij zijn opgewonden conversatie aan de telefoon. Hij keurt ons geen blik waardig. We voelen ons echt gast en lopen weg zonder fooi te geven.

De volgende dag nemen we weer een taxi, dit keer naar het vliegveld. De chauffeur, een kleine man van rond de 60 helpt ons met de bagage, opent de deur, aangename klassieke muziek stroomt ons tegemoet. Hij vertelt, zijn levendige handen praten mee, dat hij oorspronkelijk uit Iran komt. We zijn nieuwsgierig en vragen hem hoe hij in Wenen terechtgekomen is. ‘Ik speelde bas toen ik jong was’ en zijn vingers maken tokkelende bewegingen. ‘Mijn muziekleraar had het altijd over Wenen, de Europese bakermat van muziek, dus dat wilde ik ontdekken.’ Tijdens zijn studie aan het conservatorium –eind 70-er jaren- greep Khomeini in zijn geboorteland de macht. ‘Ik wilde niet meer terug, mijn leven was daar niet meer zeker.’ Dan vallen zijn handen stil. Ook zijn geschiedenis in Oostenrijk nam een onverwachte wending. Na een auto ongeluk moest hij zijn muzikale carrière beëindigen. ‘Ik ben toen taxichauffeur geworden, mijn vrouw was zwanger en er moest geld verdiend worden’ zegt hij gelaten. Ik kijk vanaf de achterbank naar zijn kalende hoofd. Zijn vriendelijkheid had er niet onder geleden.

Die avond zit ik alweer in een taxi, nu op weg naar huis. We babbelen met de chauffeur, een bonk van een kerel, over de stad, de rijkdom van wisselende seizoenen, drukte op de Dam en de zegening van gezond zijn. ‘Je kan wel blijven kankere, maar de wereld is een feessie. Je mot alleen zelf de slingers ophangen.’ Als we aankomen, stapt hij naar buiten om het portier voor me te openen. Ik tik mezelf op de vingers dat ik er nog steeds van uitga dat Amsterdamse taxichauffeurs onbehouwen, toeristen oplichtende mensen zijn. Jaren lang heb ik liever door de regen gelopen, getramd of gefietst dan een taxi te nemen. Maar gelukkig zijn er steeds meer aardige! Ik hang een slingertje op.

 

 

 

 

 

 

 

Joop III

(Mocht je het nog niet gedaan of vergeten hebben, lees dan eerst even  Joop en Joop II om een duidelijker beeld te krijgen)

Op weg naar het zwembad zie ik Joop met hond Max schuifelen over de Westerstraat. Ook al ben ik al te laat voor de les, Joop is belangrijker. Zijn gezicht heeft gelukkig wat meer kleur en zijn ogen tintelen als vanouds. Max, zijn herder, is daarentegen ouder geworden. Zijn schouders hangen een beetje en zijn kop is nog grijzer. Het leven zonder zijn baas is hem zwaar gevallen.

De oude man brengt me direct op de hoogte van zijn wel en wee. Drie weken opname in het St. Lucas voor zijn tweede knie operatie en nog eens drie weken revalideren in de Poort oftewel het Eindpunt, zoals het in de volksmond wordt genoemd. Hoe duidelijk kan een naam zijn. ‘Er was een oude man op mijn kamer, die zei niet zoveel. Alleen maar “uhuhuhuh, tsss, tsss, tsss”. En hij was nog doof ook. Op een avond viel opeens de elektra uit. Stond ‘ie plotseling in het donker naast mijn bed, ontbloot bovenlijf, een pamper tot op zijn knieën en dan twee dunne Gandhi-beentjes er onderuit. “Hup, terug naar je bed, zei ik. Vort” ’. Max kijkt zijn baas niet-begrijpend aan. Op een gegeven moment kon Joop zichzelf weer wassen bij de kraan. ‘Pakte ik zo’n washandje, dacht ik wat is dat zwaar. Zat er een drol in. Maar weet je, ik mis ‘m toch wel hoor, ik most wel met ‘m lachen.’

Een mooie bijkomstigheid was dat Joops dementerende zuster op de eerste verdieping woonde. Iedere ochtend ging hij naar beneden om haar boterhammetje te smeren. Wat ‘m bracht op het belangrijke onderwerp eten. De maaltijden in de Poort waren wel ok, maar het Lucas! ‘Allemachtig. Mensen motten toch beter worden, dan geef je ze toch geen rauwe vis en keiharde piepers. Geef mij maar een lekker Chineesje. Mmm, bordje Singapore met garnaaltjes.’ Zijn rechterhand omklemt een imaginaire vork waarmee hij eetbewegingen naar zijn mond maakt. Dan neemt hij afscheid en loopt voorzichtig weer door. Max kwispelt zachtjes en sjokt achter hem aan. Ik weet nu al waar Joop zichzelf vanavond op trakteert.