Een kwartiertje brug

Het toeristenechtpaar loopt met een ‘Espace’ kinderwagen midden over de brug. Een fietser haalt hen in van rechts, een motor van links. Een auto houdt zijn snelheid in. De bezoekers hebben hun rol in de verkeerscongestie niet in de gaten, ze kijken hun ogen uit als ze de waterfietsen zien, die over de grachten uitwaaieren. Hun peuter schopt met zijn beentjes fanatiek door een hoop droge iepenzaadjes, die rusteloos opvliegen in de goudgele zon. Duiven koeren en pikken de pitjes eruit.
Een vrouw met hoofddoek zit op een bankje, ogen dicht, geniet van de warmte die haar wangen koestert. Naast haar kijkt een jong stel op een ouderwetse plattegrond om de weg te vinden.
Het blad bier wordt met gejuich ontvangen door het overvolle terras aan de overkant. Het Schiphol shuttlebusje beplakt met kleurige plaatjes van de Keukenhof komt voorbij. Voor deze gasten zit het er weer op.
Van onder de brug sputtert een oud sloepje met rosé-drinkende elitevaarders tevoorschijn.
De buurtzwaan tikt met zijn snavel op het raam van ‘zijn’ woonboot. Het wordt tijd voor zijn eten, maar de eigenaresse is een paar dagen weg.
Moeder met peuter achterop, duwt met haar rechterhand geroutineerd haar kleuter op eigen fietsje de brug op.
Buurman Boordevol komt naar buiten en heeft een zonnebril op. Hij lacht zowaar. Een groepje bezoekers zonder bestemming slentert langs hem heen, hun trui of jas in de hand.
Ik word ook bekeken. Toeristen fotograferen me in het raam, ze hebben een original Amsterdammer gespot.
Een Volkswagen passeert een hipster en stopt abrupt. De man rent de auto uit en omhelst een vriend. Ze delen een ijsje.
De zakenman in vrijetijdskleding komt met zijn zoontje van een jaar of zeven aan. Zijn beentjes zijn te kort om makkelijk van de voorstang van pappa’s herenfiets af te glijden. De fiets wordt neergezet, vader heeft een rol glanzende ducttape in de hand. De iepenconfetti wordt weggeveegd, de positie met tape ingenomen. Het jongetje heet TIES. Pappa maakt de moeilijke letters, Ties mag de i plakken. Ties gooit een handje iepensneeuw in de gracht. Het waait net zo hard weer terug. Hij moet nog leren wat ‘Non urinat in ventum’ betekent. De rol ducttape gaat schoon op. Pappa en Ties stappen weer op de fiets. Drie Franse toeristen wijzen naar het plaksel op de stoep maar begrijpen het niet.
Een meisje duwt haar groen-wit–oranje postcodeloterijfiets de brug op, terwijl ze een onverpakte flat screen televisie op haar bagagedrager balanceert. Het wordt leuk wanneer een fietser met een ladder in zijn hand haar van de andere kant zwabberend tegemoet komt.
Drie rolkoffertjes, ogen gefixeerd op de telefoon, zoeken naar hun Airbnb. Een witte Car-to-go toetert verliefd naar een zwarte Biro. Een man met multicolor petje en dreadlocks staat soepel op een mono-wheel. Elegant ontwijkt hij de krantenbezorger met zware tassen vol zwaar nieuws.
Een klein Japans meisje rijdt voorzichtig haar lichtblauwe stepje met drie wieltjes door de berg iepensneeuw. De wind betovert haar in een mangaprinsesje opgesloten in een sneeuwbol.
Bezoekers van de bankjes op de brug wisselen elkaar af en fotograferen op hun beurt weer het meest gefotografeerde hoekje van Amsterdam.
Twee tieners onder de tattoos maken een selfie op een stokje, ze zien de bruid in tule niet die ook wordt vereeuwigd.
Een sportief stel jogt jaloersmakend moeiteloos langs, telefoon vastgesnoerd aan de bovenarm.
Een meisje springt van de bagagedrager af. De brug is te steil voor haar vriendje.
Hondjes kwispelen als ze elkaar zien en besnuffelen direct elkaars achterwerk. De baasjes, allebei kaal, kijken elkaar verlegen aan en geven hun hondjes de tijd.
De bezorger met oranje Foodora kubus op de rug racet naar zijn klant en ontwijkt ternauwernood een rokjesdag-meisje op een rode scooter.

Het is lente in Amsterdam.

Buigen of breken?

Hier ben ik lang niet meer geweest. De Krakeling, ooit gebouwd als turnhal en al sinds eind zeventiger jaren het jeugdtheater van Amsterdam. Het is een knus en lief theatertje waar onze dochters hun eerste toneelstukken hebben gezien. Het valt me vaak op dat het overwegend witte bezoekers zijn aan veel Amsterdamse cultuurtempels, wat niet representatief is voor een stad met 180 nationaliteiten. Maar nu niet. De acteurs en het thema zorgen ervoor dat publiek met uiteenlopende huidskleur een kaartje heeft gekocht.
We kijken naar een toneelstuk van en met Saman Amini: ‘A seat at the table’. Amini, op zijn twaalfde met zijn familie uit Iran gevlucht, maakt zich ongerust over de groeiende clash tussen culturen en heeft ‘uit voorzorg, liefde en compassie’ dit stuk gemaakt. De boodschap is duidelijk. Racisme kan onbewust zijn, soms zelfs goedbedoeld, maar er wordt wel een onderscheid gemaakt op basis van je uiterlijk, waar je niets aan kunt veranderen. En omdat je anders bent, kun je, zelfs als je hier geboren bent, toch nooit volledig wortelen.

Het publiek wordt een confronterende spiegel voor gehouden. Zo maar even een paar alledaagse voorbeelden:
Zwemcoach: ‘Jullie (!) kunnen heel goed rennen, maar zwemmen niet. Jullie zinken meteen als een baksteen.’
HR manager: ‘Gefeliciteerd, je krijgt de baan op het call center, maar je vindt het toch niet erg dat je je aan de telefoon Willem noemt en niet Mohammed?’
Leraar: ‘Hoe heet je?’ ‘Soufian, mijnheer’, waarop de leraar nooit de moeite neemt zijn naam goed uit te spreken.
De krant: Als een witte man zijn vrouw en kinderen vermoordt, staat in de kop ‘gezinsdrama’, als een gekleurde man het doet staat er ‘eerwraak’.

De acteurs leggen uit wat racial freeze is door een scene humoristisch in slow motion na te spelen. Humberto Tan interviewt Jack Spijkerman, die hem -zogenaamd grappig- beledigt met ‘je bent niet alleen donker, maar ook nog dom’.  Humberto’s pupillen vergroten zich, hij slikt en stelt slechts met een lichte stotter in zijn stem de volgende vraag. Hij is een ‘bounty’, zwart van buiten, wit van binnen. De acteurs verwijten Tan dat hij Spijkerman niet terecht heeft gewezen. Racisme is niet geestig.
Iedere keer komt de vraag terug. Wat heeft het meeste effect om verandering te weeg te brengen? Moet je je uiterste best blijven doen om maar geaccepteerd te worden of moet je er tegenin gaan? Moet je buigen of breken?

De volgende ochtend lees ik dat Kamervoorzitter mevrouw Arib een discussie voerde met Kamerlid mevrouw Buitenweg, waarop Kamerlid de heer van Dam zei ‘Ik heb lang geleden afgeleerd dat als twee vrouwen van mening verschillen, ik mij daar als man in moet mengen.’
Mevrouw Arib liet dit niet toe. ‘Wat is dat voor opmerking? Hoezo twee vrouwen?’, reageerde ze fel. Ze weigerde door te gaan tot Van Dam de opmerking terug nam.
Het ging hier niet om racisme, maar wel om discriminatie.

’s Middags wordt mijn koelkast gerepareerd. Twee keer word ik zeer klantgericht geïnformeerd over de bezoektijd. ‘Met de monteur, ik ben er tussen twee en vier.
‘Met de monteur, ik ben er over vijftien minuten.’
De bel gaat, ik doe open en de man stelt zich voor ‘Saïd’. Bij een kop koffie vraag ik hem of ik iets persoonlijks mag vragen.
‘Ja, dat mag’, reageert hij open en nieuwsgierig.
‘Je zei twee keer aan de telefoon ‘met de monteur’, maar je noemde je naam niet. Was dat bewust?’
Hij kijkt me aan alsof hij het in Keulen hoort donderen. ‘Ik word hier stil van’, reageert hij geëmotioneerd. ‘Dit is de eerste keer in vijftien jaar dat iemand dat opmerkt. Ja, het is bewust. Ik weet dat als ik binnen ben bij klanten en ze zien dat ik een aardige, betrouwbare man ben het ok is, maar ik wil mensen vooraf niet ongerust maken.’

Twee reacties, die direct terug slaan op het toneelstuk de avond ervoor. Is dit toeval of sta ik meer open voor signalen? Nee, het is geen toeval. Het stuk heeft me bewuster gemaakt.

 

 

 

 

Home Sweet Home?

Het tintelt jonge lente en ik wandel mijn dagelijkse rondje in het park. Vroeger maakte Sam twee keer zoveel kilometers, heen en weer rennend met de bal. Nu loop ík steeds terug om de vergeten bal te zoeken. Hij wordt ouder, mijn hondje.

Ik zie Stella, een parkkennis met een rood, langharig vuilnisbakje. Meestal blijft het bij ‘goedemorgen’ maar nu voel ik haar gespannenheid als een doorzichtige cocon om haar heen. Het halflange haar valt zonder energie langs haar wit-weggetrokken gezicht. De ogen verzwaard met paarse oogschaduw kijken me vermoeid aan.
‘Gaat het met je?’ vraag ik, meer heeft ze niet nodig.
‘Ik slaap haast niet, ik ben bang’ zegt ze. ‘Er woont een ex-gevangene boven me. Hij werd eerder vrijgelaten omdat hij kanker heeft, dan mocht hij thuis sterven. Maar dat duurt nu al twee jaar.’
Blijkbaar vecht hij even hard tegen zijn kanker als tegen de wereld, gaat door me heen. Sociaal als ze is heeft ze hem in het begin op allerlei manieren geholpen bij zijn re-integratie. Ze heeft hem zelfs geld geleend van haar bescheiden pensioentje.
‘Maar op een gegeven moment kon ik dat niet meer betalen en toen begon het getreiter. ’s Nacht maakt hij zo’n lawaai boven me dat ik niet kan slapen en overdag dreigt hij me in elkaar te slaan. Ik sluip ’s ochtends mijn huis uit en blijf dan heel lang in het park. Voordat ik naar huis ga, check ik eerst of ik veilig naar binnen kan. En nou is zijn zoon ook nog bij hem ingetrokken, ook een crimineel.’
‘Waarom zat hij in de gevangenis?’ vraag ik terwijl we het pad langs begraafplaats Santa Barbara lopen.
Ze kijkt me gelaten aan. ‘Hij heeft, zegt hij zelf, iemand vermoord, en ook zijn vrouw tijdens een ruzie door een glazen tafel heen gegooid. ‘De tafel kapot, en haar hoofd ook.’

Ze heeft politie en Ymere hulp gevraagd maar zonder resultaat. Verhuizen kan ze niet. ‘Dan is het een kwestie van uitzitten?’ vraag ik, maar nee, daar vergis ik me in. Blijkbaar is de man niet de huurder, maar Reclassering. En dat betekent dat ze na hem, mogelijk weer een ‘moeilijke’ buurman boven haar krijgt.
Ze zucht mistroostig ‘dat je dat op je 68ste allemaal nog moet meemaken.’

Een stille getuige

In de hal staat een zwarte koffer. De prille lentezon schijnt door de ramen en valt op het uitgedroogde leer, waardoor ik opeens het patroon van schildpadhuid ontdek, maar dan uitvergroot.

De hoeken zijn met bruine kapjes versterkt en met klinknageltjes vastgezet, ook de randen van het valies zijn verstevigd en om iedere centimeter zit een minuscuul spijkertje ingetikt. Het robuuste handvat is afgestikt met sterk, wit draad. Op de plek waar de duim op het hengsel drukt is de kleur weggesleten en lichtbruin geworden.

De koffer is 85 cm lang en maar 15 cm diep. Veel kan er niet in. Een paar blouses, een jasje, een rok, wat ondergoed, toiletartikelen, misschien een boek. Dan ben je er wel. Toch zitten er drie sluitingen op, waarvan twee met een slotje, het sleuteltje is al lang verdwenen.

Op de koffer zijn etiketten geplakt van eerdere bestemmingen. Ik probeer de gescheurde overblijfsels te ontcijferen. Een gebruikt theezakjesbruin label van de Bagages S.N.C.F. voor een treinreis uit Paris Nord via Roosendaal, Rotterdam naar La Haye. Een lichtblauw etiket van de NV Stoomvaart maatschappij, waarop de letters van de stad  AMSTERDAM in donkerblauw op de diagonaal lopende witte strook en een rond vignet met een grote K in het midden, waaromheen cirkelvorming Stoomvaartmaatschappij Nederland, Amsterdam. Waar zou de bootreis naar toe zijn gegaan?

Romantisch is een etiket met een groot stijlvol hotel, afgebeeld in zachtblauw en gebroken wit. Alleen de laatste letters van de stad zijn te lezen ‘AN ‘ en met het vergrootglas ontcijfer ik daaronder ‘Haute Savoie’. Ik google naar plaatsen die eindigen op AN, en het lijkt Evian te zijn.

Aan het handvat heeft ooit een adreslabel gehangen. Het gevlochten, uitgedroogde touwtje zit er nog deels aan. Terecht heeft de eigenaresse het overleven van het kwetsbare naamkaartje op deze reis niet vertrouwd. Om zeker te zijn dat zij haar koffer, met daarin alles wat zij nog bezat,  zou kunnen terugvinden heeft zij uit voorzorg in witte verf haar naam, geboortedatum en woonplaats over de hele lengte van het deksel geschreven.

In september 1943 is ze, samen met haar man, dochter en zoon, opgepakt tijdens de laatste razzia in Amsterdam en op transport gezet naar Westerbork. Haar zoontje van elf maanden had zij met een fles pap in de mond onder haar bed verstopt. Vrienden die het baby’tje na de razzia vonden, brachten het naar een weeshuis op de Prins Hendriklaan waar mongoloïde en ongewenste bastaardkinderen werden opgevangen. Daar ontfermde de gereformeerde zuster Middelman zich over hem en nog elf andere Joodse kinderen. De dappere vrouw vond dat heel normaal. Het was haar plicht mensen in nood te helpen, ongeacht ras, geloof of ziekte. Allen overleefden de oorlog.

In september 1944 werd de rest van de familie op transport gesteld naar Bergen Belsen en zeven maanden later, toen de oorlog haar einde naderde, naar eindbestemming Theresienstadt. Bij Magdeburg werd de trein, na al zes dagen onderweg te zijn, tegengehouden door het Amerikaanse leger, en allen –zelfs de vader die al voor dood was opgegeven- hebben uiteindelijk kunnen terugkeren naar Amsterdam. Met de koffer.

Het baby’tje is nu tegen de tachtig. Hij heeft de koffer zijn leven lang bewaard. Zijn wens is dat het valies nu zijn laatste reis gaat maken om als stille getuige het verhaal te vertellen in het Holocaust Museum in Amsterdam.

Het vogelvrouwtje

Het is venijnig koud en ik ben een van de weinigen in het park vanochtend. Ik verontschuldig me bij de kraaien. Ze verwachten nu iedere dag een handje zaad van me en ik ben vergeten de voorraad aan te vullen. Ze vliegen nog een stuk met me mee en halen dan verontwaardigd hun schouders op. Het zit er niet in vandaag.

Iemand anders heeft wel aan ze gedacht. Het Indonesische vogelvrouwtje haalt trouw iedere dag bij de bakkerij oud brood op. Thuis snijdt ze het in stukjes en neemt dan een boodschappenkarretje vol mee naar het park. Verwachtingsvol cirkelen honderden kraaien en meeuwen, zwart en wit als een gigantisch vliegend schaakbord, boven het grote grasveld. Het is een oorverdovend gekras en gekrijs. Het iele figuurtje in haar veel te ruime kleding blijft maar stukjes brood uit haar wagentje vissen als was ze Jezus die op wonderbaarlijke manier het brood vermenigvuldigt, en gooit het dan met een grote zwaai de lucht in. Haar kleine hondje, verwarmd door een dikker jasje dan de hare, zit rustig naar het spektakel te kijken. Hij is niet anders gewend.

‘Ze zou er ’s mee moeten ophouden’ hoor ik geïrriteerd naast me. Boze ogen kijken op een andere manier naar het luchtballet dan ik. ‘Ik heb haar al zo vaak gezegd dat brood niet goed is voor vogels. En het trekt ratten aan, en mijn hond vreet het ook op. Anderen vinden het ook, maar ze blijft maar doorgaan.’ Wat de boze vrouw zegt klopt natuurlijk wel, maar toch word ik ontroerd door de goede geefster. Het lijkt me een eenzame ziel, die net als wij allemaal behoefte heeft aan warmte, vriendschap, liefde. Zij heeft het misschien gevonden bij haar vogels, die haar herkennen en in steeds grotere getale naar haar toe komen. Wie zijn wij om haar dat dan te verbieden?

In de verte pakt het onderwerp van gesprek haar karretje weer vast, op weg naar de volgende uitdeelplek. De boze vrouw vervolgt haar weg. Ik ook.

Thanksgiving

Het is me niet vaak gebeurd dat ik alleen mijn verjaardag ben ingegaan. Ik ben er bewust van, maar voel me niet zielig. Gisteravond kwam ik aan op Aruba en at in het hotelletje mijn door mijn man klaargemaakte bammetjes met smaak op, vergezeld van een glas witte wijn. Vroeg naar bed en dus ook vroeg wakker met een heleboel felicitatie-appjes van vrienden. Bijzonder om, door het tijdverschil, al die berichtjes tegelijkertijd te ontvangen. Ik realiseer me weer eens hoe rijk ik ben. Zoals mijn man altijd zegt: “Heb je vandaag al geteld?’

Aan het ontbijt in een rustige tuin kijk ik naar kleurrijke vogeltjes die met me willen ontbijten. Ik heb sinds twee weken vriendschap gesloten met een viertal kraaien in het Westerpark, die me altijd op dezelfde plek begroeten en hun beloning in de vorm van nootjes verwachten. Ze vliegen dan een stukje met me mee in de hoop op meer. Ik ben bepaald geen ornitholoog en kom nu, na 13 jaar daar wandelen, er pas achter dat ze een eigen territorium hebben en heel slim zijn.

Terwijl ik hun caraïbische vriendjes bestudeer word ik door een dierbare vriend gebeld. Hij weet me altijd anders naar dingen te laten kijken. ‘Is het niet heerlijk dat je alleen kunt zijn op je verjaardag en het helemaal kan inrichten zoals je wilt?’ En op mijn opmerking dat ik zeer tegen mijn – ik denk toch wel calvinistische -gewoonte in de avond ervoor alleen wijn gedronken had: ‘Waarom zou je niet als je alleen bent een glas wijn drinken? Je mag toch op iedere willekeurige dag vieren dat je er bent?’ Hij heeft gelijk.

Straks ben ik niet meer alleen. Ik ga mijn jongste dochter ophalen van het vliegveld. We gaan mijn verjaardag vieren en het feit dat we een paar dagen samen kunnen doorbrengen. Met een glas wijn. Het is voor haar Thanksgiving. Voor mij ook!

Halloween

‘Kom je ook?’ vraagt ze. Ze weet hoe dol ik op haar dochtertjes ben en het heerlijk vind op belangrijke momenten erbij te zijn. Maar nu twijfel ik toch even. Halloween. Ik heb er niets mee. Weer een Amerikaans feest dat we importeren. We hebben toch al Sint Maarten? Ze legt me uit dat de meisjes zich vooral verheugen op het verkleden. En omdat hier geen carnaval wordt gevierd, is het een goed alternatief.

Natuurlijk ga ik. Niet verkleed, maar wel met een zakje gedroogde krekels en meelwormen met paprikasmaak. Insecten eten heeft immers de toekomst? Voor de gezelligheid krijgen ze allemaal ook een lolly met een sprinkhaan erin. Ik word begroet door 14 gillende, beeldschone heksjes en 1 dracula in 18e eeuws kostuum. Hoge puntmutsen, spinnen-oorbellen, glitterpanties en toverstafjes vliegen door het kleine appartement. Ze springen op de bank, rennen rondjes om de tafel en proberen geluid te halen uit het keyboard. Dat lukt. Terwijl mijn vriendin onverstoord in de pan met pasta en tomatensaus roert, probeer ik kleine Jessie te kalmeren. De drukte van de oudere heksen is haar een beetje teveel. En dan is het grote moment aangebroken, we gaan naar buiten langs de deuren om snoep op te halen. De mensen die opendoen zijn verward. ‘Ik heb geen snoep, dat is toch pas 11 november?’ Het maakt de kinderen niet uit. Het gaat immers niet om de zoetigheid, ze kunnen laten zien hoe mooi eng ze zijn!

Op de hoek lopen we een klein Grieks afhaalzaakje binnen dat er net zit. De jonge vrouw, een prachtige Aphrodite, kent het fenomeen ook niet, maar ze haalt zonder zich te bedenken een chocoladetaart uit de koelkast die ze in 15 stukjes snijdt. Haar bruine ogen glanzen als het glazuur. Wanneer iedereen aan het eten is, reikt ze haar slanke armen in de lucht en draait dolgelukkig rondjes om haar as. ‘Ik ben vandaag jarig en voelde me zo alleen. Mijn hele familie is in Griekenland. En nu komen jullie zo maar binnen.’ Iedereen juicht en dansend en zingend in het kleine zaakje vieren we met 15 heksjes en 1 dracula een Grieks verjaardagsfeest in Amsterdam.

 

 

Een perfecte avond

Eerst hebben we het nog niet door, de boze stemming aan een tafeltje achter ons, maar al snel kunnen we het niet negeren. De man is een vulkaan op uitbarsten.

Tijdens ons voorgerecht liepen ze zelfbewust het nieuwe restaurant in de Pijp binnen. Vader type Amsterdam Zuid, strak gekleed, opzichtig horloge om zijn pols, twee blonde dochters met hun laatste aankopen in tasjes van Louis Vuitton, de zoon en zijn vriendin. Een perfect gezin had een perfecte dag en die werd nu afgesloten met een perfect etentje.

Maar nu had de serveerster de werkelijk ongelooflijke stommiteit uitgehaald om het bakje spinazie te vergeten. Met luide stem doet de man zijn beklag, de excuses van het meisje en het alsnog gebrachte bakje krachtgroente worden niet geaccepteerd. Hij begint op stoom te komen en zijn gezicht wordt zo rood als de garnalen op zijn bord. Zweet druppelt over zijn voorhoofd. ‘Je bent een hoer’ roept hij uit. ‘Sloerie, kan je niet eens een bestelling onthouden? Je hebt onze hele avond verpest’. Het meisje weet niet te reageren. Beleefdheid en woede vechten om de eerste plaats, maar ze houdt zich in. Uiteindelijk komt de kok er bij, maar ook hij kan de man niet tot bedaren brengen. Het personeel loopt op kousenvoeten door het restaurant en excuseert zich bij de andere gasten. Hoe harder de man schreeuwt, hoe zachter zijn kinderen praten. Ineengedoken grijpen ze naar hun telefoon, verlossing zoekend op Facebook. Na een half uur continue verbaal geweld heeft de zoon er schoon genoeg van. Hij schuift zijn stoel resoluut naar achter, pakt de hand van zijn vriendin en trekt haar mee naar buiten. Tien minuten later vlucht zijn zusje eerst naar de wc, dan ook naar buiten.

De oudste dochter –blijkbaar is dit de rol in haar jonge leven- blijft beschaamd zitten en probeert haar vader wanhopig tot rede te brengen. Tranen lopen over haar gezicht. ‘Pap, hou nou alsjeblieft op. Doe niet zo. Als je nou niet stopt ga ik ook weg’. Hij schrikt en wil haar in zijn armen nemen, maar ze weert hem vol afschuw af. ‘Je weet toch dat ik er altijd voor je ben. Ik doe altijd alles voor je’ roept hij gekweld uit en probeert haar weer vast te pakken. Ze laat het uiteindelijk, uitgeput, toe en legt haar hoofd op zijn schouder.

 

Pieter

Pieter zit in zijn rolstoel met zijn rug naar de tv. Twee huisgenoten kijken naar Flodder. We hebben bitterballen mee voor zijn 78ste verjaardag. Ik geef hem een kus op zijn wang en een compliment. ‘Je ziet er goed uit Pieter, je hebt je baard getrimd’. Hij herkent me in eerste instantie niet en kijkt me met zijn bruine ogen leeg aan. De bitterballen daarentegen herkent hij wel en zijn zeer welkom. Hij heeft altijd problemen met zijn kunstgebit, dat hij dan ook meer niet dan wel in heeft, en deze oer-Hollandse borrelhap is makkelijk weg te werken. Hij pakt de bal voorzichtig, bijna teder, vast met zijn lange vingers en steekt hem in één keer in zijn mond. We proberen met hem te praten, maar zijn gemompelde antwoorden blijven steken in zijn baard. Pieter…

34 Jaar geleden, op een mooie lentedag, weigerde ons werkbootje nog in zijn achteruit te gaan. Op zondag was er geen mecanicien te vinden, maar iemand had het over Pieter, die op een woonboot woonde op de Oude Schans. Toen we 10 meter van onze bestemming af waren zagen we een aambeeld met een grote boog in het water belanden, gezegend met een oorverdovend ‘Godverdomme’. Pieter was blijkbaar niet in een goed humeur. Enigszins verbouwereerd legden we aan en het probleem uit. Luid mopperend wist Pieter ons bootje Romeo te repareren en konden we weer aan het werk.

De volgende dag kwamen we terug om hem te betalen. In het vooronder las hij ons een brief voor die hij net aan de Koningin had geschreven met een paar van zijn grieven. Een mooi schuinschrift, prachtig eloquent Nederlands en vol schrijffouten. Pieter had nooit de lagere school afgemaakt. Vervolgens reciteerde hij een paar gedichten. Op mijn vraag of hij een fotografisch geheugen had, zei hij ‘ja, met een lange belichtingstijd’.

Pieter, een van de laatste paradijsvogels van Amsterdam. Altijd ruzie met iedereen, en vooral met de overheid. ‘Waarom laten ze me niet leven?’ Toen zijn gammele boot weg werd gesleept, besloot hij naar Indonesië te vertrekken. Daar zouden ze hem wel met rust laten. Hij had er een goede, zijn beste, tijd. Lieve mensen, een vriendinnetje, respect. Maar hij kreeg weer ruzie, nu met twee Hollanders daar en werd door de Nederlandse ambassade vriendelijk verzocht het land te verlaten. Opeens stond hij in een koude decembermaand voor onze deur. Onze dochtertjes keken deze wilde Sinterklaas met grote ogen aan. We hielpen hem terug naar Indonesië, weer was hij gelukkig, tot zijn falende gezondheid hem definitief naar Nederland veroordeelde. Nu zit hij in een ‘ondersteund wonen’ huis. Hij heeft een aardige begeleidster, er is een lieve kok uit Sri Lanka en wij komen af en toe langs.

De bitterballen zijn op. Een druppel snot hangt aan het puntje van zijn baard. Ik twijfel of ik hem voor het afscheid moet kussen en doe het dan toch maar.

 

Carré

Je ziet en hoort ze al uit de verte aankomen. Een knalrood trainingspak, geblondeerde, piekerige haren met kraaltjes erin gevlochten en luid haar Willem aansporend haar maar te volgen. Lange Willem sjokt in zijn Bermudahemd en gekleurd petje achter haar aan, in zijn handen een linnen tas waarop de drie kruizen van Amsterdam: Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig.

Het is kwart voor acht en het duurt nog een kwartiertje voor het concert met Syrische musici in Carré gaat beginnen. Op het laatste moment hebben we kaartjes gekocht en zitten toch reuze goed in de ring op de derde rij. Het kleurrijke stel loopt langs ons en ploft twee rijen verder neer. Anja zit nog niet of ze veert weer op, een lege plaats vóór mij ziet er veel aantrekkelijker uit. De tas mag mee, Willem niet. Lang kan ze niet van haar nieuwe zitplaats genieten, want al snel wordt de stoel door de rechtmatige kaartbezitster opgeëist. Anja probeert haar af te schrikken door haar staalhard aan te kijken maar mevrouw is niet onder de indruk. Dan verhuist Anja naar een lege stoel naast mij en graaft met veel rumoer in haar linnen tas tot ze eindelijk vindt waar ze naar zoekt. ‘Willem, wil je wat?’ Een zak snoep wordt naar boven doorgegeven. Nu haar man tevreden aan het sabbelen is, scant zij met adelaarsoog over haar jachtterrein. Opgewonden wijst ze naar een paar lege plaatsen onder ons en roept ‘maar daar zit je goed!’ Ik suggereer –alsof ik een kind aan het opvoeden ben- ‘misschien komen er nog mensen’, waarop zij reageert ‘motten ze maar op tijd zijn’, maar opstaan doet ze toch maar niet.

Dan herhaalt de scene zich. Een vrouw wil naast mij gaan zitten, maar ziet in plaats van een lege stoel een rood trainingspak. Anja denkt weer ‘negeren, dan dondert ze wel op’ en kijkt strak voor zich uit. Ook deze vrouw laat het er niet bij zitten en Anja verhuist onder luid protest weer naar haar Willem, die ondertussen oerang oetang geluiden uitstoot om iemands aandacht te trekken. Je kan van alles van Anja vinden, maar niet dat ze geen volhouder is. Haar scherpe ogen hebben weer een nieuwe lege plek in de smiezen. Met de volle tas in haar hand wringt ze zich tussen knieën en stoelleuningen, maar het publiek heeft er genoeg van en laat haar niet meer door. Na een Amsterdamse woordenwisseling kiest ze eieren voor haar geld en vindt een lege plek vlak voor het podium. Ze joe-hoet opgewonden naar Willem, hij oerang oetangt vol testosteron terug. Of deze plaats nu slechter is of de apenroep van Willem sterker weet ik niet, maar ze staat weer op en gaat op haar eigen plek zitten, naast haar opgewonden man.

Het is acht uur. Het theater is afgelopen. Het concert gaat beginnen.